Koning Abdullah stond aan het hoofd van één van de meest repressieve regimes ter wereld

Koning Abdullah van Saoedi-Arabië is gisteravond op 90-jarige leeftijd overleden. Hij stond jarenlang aan het hoofd van één van de meest repressieve regimes ter wereld. Dat Saoedi-Arabië op grote schaal mensenrechten schond, mag een understatement van jewelste heten. Hoe autocratisch Saoedie-Arabië precies is? Daarvoor pakken we de data van Polity IV erbij, één van de meest gebruikte bronnen voor het meten van het democratiegehalte van landen.

Polity IV geeft aan landen een score die kan variëren tussen -10 (autocratisch) en 10 (democratisch). Deze scores zijn opgebouwd uit een aantal indicatoren over vrije en eerlijke competitie tussen elites en vrije en eerlijke participatie van burgers (zie hier voor een uitgebreide verantwoording). In 2013 was de situatie als volgt:

(meer…)

Rally Round the Flag: populariteit François Hollande stijgt 20% na ‘Charlie Hebdo’

François Hollande geldt als één van de minst populaire presidenten in de geschiedenis van de Franse Vijfde Republiek. Wanneer we de approval ratings van alle presidenten sinds 1981 op een rijtje zetten, laten de cijfers weinig aan de verbeelding over.

 

french

Bron: The Guardian Datablog

 

Nu zou blijken uit een nieuwe peiling van Ifop-Fiducial dat Hollande’s populariteit na de terroristische aanslag op Charlie Hebdo met zo’n 20% zou zijn gestegen tot rond de 40%. Het vormt helaas een inktzwarte realiteit in opinieland, maar niets is zo goed voor de populariteit van een politiek leider als een aanval op het eigen land (enter complotdenkers…). De Amerikaanse politicoloog John Mueller introduceerde ooit het idee van ‘rally round the flag’ voor dergelijke bewegingen in publieke opinie. Wanneer het eigen land wordt aangevallen, scharen burgers zich achter nationale figuren als een staatshoofd (soms de monarch, soms de president) en minister-president. We zien het nu bij Hollande, maar we zagen het al in veel sterkere vorm terug bij de populariteit van George W. Bush na 9/11.

(meer…)

Is Islamofobie gemeengoed geworden?

Na de aanslagen in Parijs is er een debat losgebarsten over de vraag of moslims zich zouden moeten distantiëren van extremisten die uit naam van de islam aanslagen plegen. Sommigen vinden van wel. Zo opende een groep moslims onlangs de Facebookpagina #nietmijnislam. Daar staat bijvoorbeeld: “We hebben genoeg van diegenen die onze religie van vrede hebben gekaapt. Zij die onze religie van harmonie verminken met hun extreme ideeën en interpretaties.” Maar er is ook een tegengeluid. Zo is columniste Hassnae Bouazza het zat dat ze zich iedere keer weer moet verantwoorden voor het handelen van extremisten (zie hier).

Hoewel de opvattingen dus verschillen, is de probleemanalyse dezelfde: door terroristische aanslagen van moslimextremisten komt de islam negatief in het nieuws. De grote vraag is of dit er ook toe leidt dat mensen negatiever zijn over immigranten uit moslimlanden dan over immigranten in het algemeen. Is, in andere woorden, Islamofobie algemeen geaccepteerd? (meer…)

De PVV is links en rechts tegelijk, en dat is best logisch

De afgelopen jaren raakte de Partij voor de Vrijheid (PVV) meerdere volksvertegenwoordigers kwijt. Vorige week was dat opnieuw het geval: het Groningse Statenlid Matthijs Jansen verliet de PVV. De reden? De PVV is “socialistisch” en haalt de SP “links in.” Dat sloeg uiteraard op de economische agenda van de PVV. Enige tijd daarvoor waarschuwde de Anne Frank Stichting dat de PVV richting extreem-rechts schuift. Dat had weer te maken met een verharding van de standpunten over de islam.

De PVV wordt dus zowel ‘links’ als ‘rechts’ genoemd. Is dat logisch? Het antwoord: in toenemende mate wel. Hoewel het er maar van afhangt wat je links of rechts noemt.

(meer…)

Afgelopen schooljaar geen constant percentage zwakke basisscholen

Hier volgt een gastbijdrage van Jaap Dronkers (e-mailhomepage@DronkersJ), hoogleraar onderwijssociologie, Universiteit Maastricht. Dit is een vervolg op een eerdere analyse van Jaap over kwaliteitscriteria van de onderwijsinspectie. Arnold Jonk (@ArnoldJonk), Hoofdinspecteur Basisonderwijs en Speciaal Onderwijs, reageerde daar destijds al op.

Op 19 december jl. schreef de onderwijsinspectie: “De daling van het aantal (zeer) zwakke scholen in het voortgezet en het speciaal onderwijs heeft zich in 2013/14 voortgezet. (…) In het basisonderwijs bleef 97,8 procent van de scholen voldoende. In deze sector heeft zich in voorgaande jaren al een sterke daling voorgedaan.”

De inspectie hanteert een combinatie van criteria om tot een oordeel over de kwaliteit van een school te komen. Grofweg genomen bestaat het oordeel uit een combinatie van resultaat- en procescriteria. Deze mogelijke combinaties van resultaat- en procescriteria staan omschreven in bijlage 1 van het ‘Toezichtkader 2011, primair onderwijs en voortgezet onderwijs’.

Scholen met voldoende resultaten, maar met vier onvoldoende procescriteria krijgen het predicaat ‘zwak’. onvoldoende resultaten zijn dus geen noodzakelijke voorwaarde voor het predicaat ‘zwakke school’. Maar scholen met onvoldoende resultaten krijgen altijd het predicaat ‘zwakke school’, ongeacht of hun procesindicatoren voldoende zijn of niet. Een onvoldoende resultaat is dus wel een voldoende voorwaarde om als zwakke school te worden bestempeld. Tussen deze twee extreme combinaties van resultaten en procesindicatoren bestaan allerlei tussenvormen, waarbij onvoldoende resultaten geen noodzakelijke voorwaarde is en die kunnen leiden tot het predicaat ‘zwakke school’.

Het bestaan van deze laatstgenoemde ondoorzichtige combinaties verklaart waarom tegenstrijdige zaken tegelijkertijd waar kunnen zijn:

  1. De sterke daling in het aantal zwakke scholen in Amsterdam volgens de onderwijsinspectie;
  2. Het achterblijven van de kwaliteitsverbeteringen bij zwakke Amsterdamse scholen in vergelijking met die bij zwakke scholen in de rest van het land volgens het CPB;
  3. Geen daling van het percentage zwakke scholen als alleen resultaatcriteria gebruikt worden (in dit geval cito-eindscores) tussen 2010 en 2013.

(meer…)

‘Minder, minder, minder’ invloed PVV in Tweede Kamer?

Tweede KamerTrouw berichtte gisteren op basis van eigen onderzoek dat de invloed van de PVV in de Tweede Kamer gedaald is. De krant leidt dit af uit cijfers over steun voor PVV-moties en het samen indienen van moties in de Tweede Kamer:

Je kunt de invloed van een partij meten. Hoeveel moties worden er aangenomen? Hoe vaak wordt een verzoek aan de regering gehonoreerd? Bij de PVV komt dat inmiddels nog maar sporadisch voor. Uit een analyse door Trouw van de gegevens van de Dienst Informatievoorziening van de Tweede Kamer blijkt dat Wilders’ partij vooral het afgelopen jaar aan invloed inboette.

 

Het is mooi dat journalisten zich baseren op beschikbaar cijfermateriaal en niet uitsluitend op persoonlijke impressies. Maar je kunt je afvragen of de conclusie, dat de PVV door de ‘minder minder’ uitspraken helemaal geïsoleerd staat, niet wat sterk is aangezet. De PVV was immers al relatief vaak een einzelgänger, zelfs in de periode 2010-2011 toen ze het kabinet-Rutte gedoogde. (meer…)

Wel cartoons op de voorpagina of niet?

Over de berichtgeving van het drama bij Charlie Hebdo is de afgelopen dagen een hoop gezegd en geschreven. Het reflecteren op het eigen gedrag door media heet in wetenschappelijke termen metacoverage: nieuws óver media en het publicatieproces. Daarover concludeerden Frank Esser en Paul D’Angelo in een vergelijkende studie (paywall) al in 2006 dat reflectie op het functioneren van de pers met name in verkiezingstijd veelvuldig voorkomt.

 

Schermafdruk 2015-01-12 16.29.24

 

Een bijzondere column was die van Volkskrant-hoofdredacteur Philippe Remarque die precies uitlegde waarom de Volkskrant besloot geen cartoons van Charlie Hebdo op de voorpagina te publiceren. Het geeft een mooi inkijkje in de manier waarop een schokkende gebeurtenis de dagelijkse routine op een krantenredactie doorbreekt. Meer specifiek is het een voorbeeld van het afleggen van verantwoording (accountability). In de woorden van Denis McQuail (1987, p. 515): ‘how […] society [might] call on journalists to account for their performance of the responsibility given them’. Het is duidelijk dat sociale media Remarque ertoe hebben aangezet verantwoording af te leggen over de gemaakte keuze. Via sociale media kreeg hij ook flinke kritiek toen hij besloot dat niet te doen.

Dat journalisten zich niet al teveel aan Twitter gelegen moeten laten, betoogde ik al elders. Maar als de aanwezigheid van een hoofdredacteur op Twitter ervoor zorgt dat hij of zij op heldere en inzichtelijke manier journalistieke keuzes en de moeilijke afwegingen die hieraan ten grondslag liggen uitlegt – zoals hier zeker het geval is – is dat pure winst.

Grappig of niet? Waarom mensen zo verschillend reageren op politieke satire

Hier volgt een gastbijdrage van Mark Boukes (@MarkBoukes), postdoctoraal onderzoeker in de communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Het onderstaande onderzoek is momenteel nog niet gepubliceerd, maar is wel terug te vinden in het proefschrift “Spicing up politics: How soft news and infotainment form political attitudes.” Dit proefschrift is opvraagbaar bij Mark (m.boukes@uva.nl) en zal op 22 januari 2015 worden verdedigd. 

De terroristische aanslag op Charlie Hebdo van 7 januari jl. liet zien dat de reactie op politieke satire onvoorstelbaar gewelddadig kan zijn. In 2006 had de wereld al kennis gemaakt met de zogenaamde ‘cartoonrellen’, toen moslims wereldwijd de straat op gingen als protest tegen de publicatie van spotprenten van de profeet Mohammed in de Deense krant Jyllands-Posten.

Even zo goed zijn er voorbeelden van satire die wél grappig worden gevonden door een publiek dat eigenlijk zelf belachelijk wordt gemaakt. Wat bepaalt nu of mensen een satire wel of niet als grappig beoordelen? Deze vraag maakte deel uit van een onderzoek dat ik deed naar de consequenties van politieke satire. Met een experiment werd onderzocht wanneer een LuckyTV-item over de bezuinigingen op de Publieke Omroep wel of niet grappig werd gevonden.

(meer…)

Loont Open Access Publiceren?

Worden artikelen die publiekelijk toegankelijk zijn meer geciteerd? Loont het om te kiezen voor een open-access tijdschrift of om je artikelen zelf te archiveren? In de sociale wetenschappen zijn relatief weinig open-access tijdschriften, maar maken wetenschappers wel steeds vaker gebruik van de mogelijkheid om hun artikel op een eigen website of die van hun institutie te publiceren. Vaak staan tijdschriften het toe om een pre-print of post-print zelf te archiveren (klik hier voor een overzicht). Amy Atchison en Jonathan Bull laten in hun studie zien dat dit zelf-archiveren loont. Zulke artikelen worden namelijk vaker geciteerd.

(meer…)