Afkeer van politiek: Waarom het vertrouwen in de Tweede Kamer lager is dan in de EU

1 Comment

*** HERSTEL. In onderstaand blog veronderstelde ik voornamelijk op basis van de Eurobarometer dat het vertrouwen in de Europese Unie tot 2012  ook in Nederland (en nog altijd in veel andere landen) hoger is dan dat in het parlement. Dat wordt voor Nederland echter NIET bevestigd door andere bronnen (EVS, ESS), waar ook al in de zeroes het vertrouwen in de EU en het EP lager liggen dan dat in de regering en Tweede Kamer.
Wel is er een terugkerend patroon dat politieke instituties (en met name politieke partijen) het slechtst scoren in EB, EVS en ESS. De hoofdpunten van onderstaande analyse waarom de politiek zo slecht scoort, blijven daarmee overeind.

———————————————————————————————————

Vandaag presenteerde het CBS wat beschrijvende statistieken over het vertrouwen dat Nederlanders hebben in een aantal maatschappelijke en politieke instituties. Een van de conclusies werd opgepikt: Nederlanders hebben minder vertrouwen in het parlement dan in de Europese Unie.

In het Eurobarometer-onderzoek is dit een terugkerend patroon in bijna alle EU-lidstaten, en door de jaren heen. Zelfs toen het vertrouwen in de Nederlandse politiek eind 2008 (na de overname van ABN Amro) uitzonderlijk hoog piekte, kwam het niet boven het vertrouwen in de EU uit. Pas in de laatste jaren is het vertrouwen in de EU afgezakt in het onderzoek van de Eurobarometer.

Wat is hier aan de hand? Waarom wordt de EU meer vertrouwd dan nationale parlementen?

 

Vertrouwen draait om onzekerheid

Om dit te begrijpen, moeten we eerst bedenken wat vertrouwen in de politiek nu eigenlijk is. In de kern draait vertrouwen om onzekerheid. Vertrouwen is de uitdrukking van een band tussen subject (dat vertrouwt) en object (dat wordt vertrouwd), waarbij het subject in de kern onzeker is over of kwetsbaar is voor het (toekomstig) gedrag van het object. Vertrouwen kan dus alleen bestaan als er een zeker risico is. Nu is de paradox: hoe groter het risico, hoe moeilijker het is om vertrouwen te hebben, maar tegelijkertijd hoe nuttiger het is om te vertrouwen om te voorkomen dat je elkaar constant moet monitoren.

Dit is een belangrijke reden waarom er zulke verschillen bestaan in het vertrouwen in maatschappelijke en politieke instituties.

 

Groter risico, minder vertrouwen

Ten eerste is het makkelijker vertrouwen te hebben in instituties die een minder grote invloed hebben op de fundamentele dagelijkse activiteiten. Daarom worden in verreweg de meeste onderzoeken (studie CBS lijkt een opmerkelijke uitzondering) pers, tv, radio, rechtspraak, en Verenigde Naties bijvoorbeeld aanzienlijk meer vertrouwd dan Europese Unie en vooral de nationale politiek (regering, parlement, politieke partijen). Dat is misschien ook niet zo gek. Wat betekent het eigenlijk, vertrouwen hebben in ‘de tv’? Of vertrouwen hebben in ‘de Verenigde Naties’? Wat kunnen die instituties doen om het vertrouwen te ondermijnen, en welk risico lopen we nu eigenlijk wanneer we ze vertrouwen. Op het moment dat de VN dreigde een directe invloed uit te oefenen op Nederland – namelijk in het Zwarte Pieten debat – zagen we direct dat het Nederlandse vertrouwen in de VN daalde. Omdat het risicovol is om de regering en het parlement
blind te vertrouwen, is het vertrouwen in die politieke instituties lager.

 

Hoe politieker, hoe minder vertrouwen

Ten tweede hebben burgers een zekere afkeer van politieke verdeeldheid. Instituties die in de dagelijkse praktijk het meest symbool staan voor politieke strijd tussen verschillende (deel-)belangen worden in Nederland steevast minder vertrouwd. Veel burgers hebben een gezonde afkeer van politieke verdeeldheid, hoewel dat in zekere zin inherent is aan (democratische) politiek. Die afkeer is ook waarom politieke partijen steevast het laagst scoren in dit soort lijstjes (behalve dan in Engeland, waar tabloids nog meer worden gewantrouwd). In Nederland wordt de lokale politiek mede daarom meer vertrouwd dan de nationale politiek. Maar ook dan maakt het uit hoe we de vraagstelling formuleren. Het ‘lokaal bestuur’ wordt hoger gewaardeerd dan de ‘lokale politiek’: hoewel verreweg de meeste kiezers er hetzelfde mee bedoelen, ontstaat er door de nadruk op politiek toch een onderscheid.

Kortom, dat de politiek relatief weinig wordt vertrouwd is inherent aan representatieve democratie, dat immers bouwt op sceptische burgers die de politiek actief monitoren. Het vertrouwen in de Europese Unie is primair een afgeleide van het vertrouwen in de nationale politiek, maar ligt paradoxaal genoeg in de meeste landen hoger doordat de EU in de belevingswereld van burgers op grotere afstand staat. Pas de laatste jaren is hier verandering in gekomen.

About the author

Tom van der Meer
Tom van der Meer (1980) is Hoogleraar Politicologie, in het bijzonder Legitimiteit, Ongelijkheid en Burgerschap, aan de Universiteit van Amsterdam. Eerder werkte hij bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is sinds 2015 co-Directeur van het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) en Lokaal Kiezersonderzoek (LKO). Hij doet voornamelijk onderzoek naar Politiek vertrouwen, Kiesgedrag (electorale volatiliteit), Politieke socialisatie, en Sociaal kapitaal (burgerparticipatie, etnische diversiteit).

Related Articles

1 Comment

  1. Bart

    Interessant stuk! Ik heb de betekenis van het begrip vertrouwen nooit op deze wijze bekeken. Een eye opener voor iedereen die hier wel eens over nadenkt of schrijft.

    Wel grappig is dat je afkeer van politieke verdeeldheid gezond noemt. Reeel, en daarmee wellicht gezond, is de erkenning van pluralisme en irreëel is de gedachte dat er politieke eenheid zou kunnen bestaan, dat we genoeg zouden hebben aan een partij.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)