Bedreigt inkomensongelijkheid de sociale cohesie?

2 Comments

Hier volgt een gastbijdrage van Herman van de Werfhorst (@HermanWerfhorst), hoogleraar in de sociologie, en Wiemer Salverda, hoogleraar Arbeidsmarkt en Ongelijkheid. Beiden zijn verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

Onlangs is het EU-project Growing Inequalities’ Impacts (GINI) afgerond, met twee boeken verschenen bij Oxford University Press. Eén van de kernvragen van dit grote project is of de stijgende inkomensongelijkheid die we in veel landen zien leidt tot negatieve maatschappelijke en politieke effecten. Het eerste exemplaar van de boeken hebben we deze week uitgereikt aan vicepremier Lodewijk Asscher.

Naar aanleiding van het werk van de Britse epidemioloog Richard Wilkinson, waarover Armen Hakhverdian eerder al een blog schreef op deze site, is er veel te doen in de wetenschap over de mogelijke effecten van stijgende ongelijkheden in inkomens. Wilkinson en Pickett toonden in hun boek The Spirit Level heldere verbanden tussen de mate van inkomensongelijkheid in een land en een breed scala aan onwenselijke uitkomsten. In landen waar de inkomensongelijkheid groot is zijn, in vergelijking met meer egalitaire landen, mensen ongezonder, is er meer criminaliteit, zijn er meer tienerzwangerschappen, heeft men meer stress, is er minder sociale mobiliteit tussen generaties, en heeft men minder vertrouwen in de medemens. Ongelijkheid, met andere woorden, bedreigt de sociale cohesie van samenlevingen.

 

Voorbij The Spirit Level

Echter, vier belangrijke bezwaren tegen het werk van Wilkinson zijn dat (1) het uitsluitend cross-sectionele samenhangen toont tussen de mate van ongelijkheid in een land en de genoemde problemen; (2) het op een eenzijdige manier kijkt naar de mate van inkomensongelijkheid in een land (alleen de gini-coëfficiënt), (3) alternatieve verklaringen zoals algemene welvaart onvoldoende serieus neemt, en (4) de effecten van inkomensongelijkheid uitsluitend verklaart vanuit psychosociale effecten, en materiële mechanismen buiten beschouwing laat.

In het GINI-project hebben we met ongeveer 200 onderzoekers uit heel Europa, de VS, Australië, Canada, Japan en Korea de trends in ongelijkheden in kaart gebracht, en zijn we uitgebreid ingegaan op de vier kritiekpunten op het werk van Wilkinson en de zijnen. We hebben niet alleen verschillen tussen landen, maar ook verschillen in de tijd bestudeerd. Als ongelijkheid daadwerkelijk nadelige effecten heeft, dan zou de sociale cohesie moeten verslechteren als de inkomensongelijkheid in een land toeneemt. Figuur 1 toont voor alle onderzochte landen de trends in de inkomensongelijkheid, afgemeten aan de gini-coëfficiënt van netto huishoudinkomens, gestandaardiseerd naar huishoudensgrootte. De algemene tendens is omhoog.

 

gini1

Figuur 1: trends in inkomensongelijkheid in dertig landen

 

Voorbij ‘gini’

We hebben op veel meer manieren naar de inkomensverdeling gekeken dan alleen via de algemene gini-coëfficiënt. Dat is uitermate belangrijk. Figuur 2 toont voor Nederland dat de gini-coëfficiënt weinig varieert sinds de jaren ’90.  Maar de decielratio tussen de rijkste 10 procent en de armste tien procent van de huishoudens groeit wel degelijk.

 

gini2

Figuur 2: twee maten van inkomensongelijkheid voor Nederland

 

Ook zijn de effecten beter onderzocht, door, ten eerste, te controleren voor algemene historische, economische en culturele verschillen tussen landen (bijvoorbeeld via zogenaamde fixed effects). Algemene welvaartsverschillen tussen landen zijn daarom verdisconteerd. Ten tweede hebben we expliciet onderzoek gedaan naar de psychosociale processen die volgens Wilkinson en Pickett ten grondslag liggen aan de negatieve effecten van ongelijkheid, en ook meer naar materiële mechanismen gekeken

 

De gevolgen van inkomensongelijkheid

De literatuur en ons onderzoek samenvattend blijkt dat inkomensongelijkheid ‘robuuste’ effecten vertoont op allerlei uitkomsten. Het vertrouwen in maatschappelijke instituties gaat omlaag, er is een toenemende ‘gelukskloof’ tussen arm en rijk, de sociale mobiliteit gaat omlaag, en de opkomst bij verkiezingen daalt, vooral onder lager opgeleiden en lagere sociale klassen. Dat laatste betekent dat de stem van de onderkant minder wordt gehoord in de politieke arena. Publieke voorkeuren voor herverdeling nemen toe als de ongelijkheid toeneemt, maar als deze voorkeuren het parlement niet bereiken als gevolg van sociale verschillen in politieke participatie, ontstaat mogelijk een kloof tussen het beleid en de publieke opinie.

Naast sommige heldere effecten van inkomensongelijkheid vinden we echter soms ook minder steun voor de algemene stelling dat ongelijkheid de sociale cohesie bedreigt. Voor wat betreft gezondheid lijkt het erop dat vooral materiële deprivatie (dus: armoede aan de onderkant) nadelig is, meer dan ongelijkheid over de hele linie. Ook is de samenhang met criminaliteit verre van helder, wat bijvoorbeeld te zien is in dalende criminaliteitscijfers in landen waar de inkomensongelijkheid in rap tempo is gestegen.

 

Psychosociale processen

Ten aanzien van de mechanismen vinden we wel degelijk steun voor Wilkinsons hypothese dat ongelijkheid psychosociale processen beïnvloedt. Ongelijkheid betekent niet alleen dat materiële hulpbronnen ongelijker verdeeld raken over de populatie, maar ook dat processen van interpersoonlijke vergelijking worden aangewakkerd. In landen waar de ongelijkheid stijgt heeft men meer ‘statuszucht’; een behoefte aan erkenning en waardering van anderen, juist aan de onderste sociale lagen.

Statusbehoefte is uiteraard als zodanig niet een sociaal probleem. Maar als de maatschappelijke norm om status te verwerven niet kan worden bereikt, wat het geval is voor de onderkant in landen met een zeer ongelijke inkomensverdeling, leidt dat mogelijk tot een ontwrichting van de samenleving. Zoals de oude socioloog Robert Merton al stelde is de maatschappelijke omgeving bepalend voor wie men beschouwt als de referentiegroep waarmee men zichzelf vergelijkt. Onze bevindingen suggereren dat sociale verschillen nadrukkelijker aan de oppervlakte komen in ongelijke landen.

 

De twee boeken:

Salverda, Wiemer, Nolan, Brian, Checchi, Daniele, Marx, Ive, McKnight, Abigail, Tóth, István György, Van de Werfhorst, Herman G. (eds.). (2014). Changing Inequalities and Societal Impacts in Rich Countries: Analytical and Comparative Perspectives. Oxford University Press.

Nolan, Brian, Salverda, Wiemer, Checchi, Daniele, Marx, Ive, McKnight, Abigail, Tóth, István György, Van de Werfhorst, Herman G. (eds.). (2014). Changing Inequalities and Societal Impacts in Rich Countries: Thirty Countries’ Experiences. Oxford University Press.

Samen redigeerden we ook een special issue, bestaande uit acht onderzoeksartikelen, van het tijdschrift Research in Social Stratification and Mobility (RSSM), 2012, vol. 30.

About the author

Related Articles

2 Comments

  1. peter klein

    al wekenlang wordt er over niks anders gepraat dan ovr pikkety’s vermogens ongelijkheid die de maatschappij ontwricht, in onbalans brengt, en hier geen enkel woord erover…

    • Armen Hakhverdian
      Armen Hakhverdian

      Dat is inderdaad de volgende cruciale stap op de onderzoeksagenda. Maar dat betekent niet dat inkomensongelijkheid irrelevant is…

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)