Chronisch pessimistisch: we zijn zelfs resistent tegen ons eigen oordeel

No Comment

De oproep van premier Mark Rutte en de sociale partners om de komende maanden onszelf moed, vertrouwen en optimisme aan te praten is smalend ontvangen. Het contrast met wat de bevolking ervaart is dan ook groot. Nederlanders zijn inmiddels, na de Grieken, het meest pessimistische volk in de Europese Unie, zo rapporteerde het CPB afgelopen maand. Het consumentenvertrouwen zo ver gedaald, dat we zelfs de Portugezen in negatieve zin zijn gepasseerd. Toch is Nederland nog altijd een van de rijkste landen van de EU, en raakt de economische neergang ons niet zo zwaar als in andere – met name Zuid-Europese – lidstaten.

Nederlanders zijn chronisch pessimistisch. Een verbale oppepper van Rutte zal dat diepgewortelde pessimisme niet zomaar omtoveren tot blakend zelfvertrouwen.

Elke generatie denkt dat de volgende bestaat uit afgevlakte, individualistische profiteurs zonder normen en waarden. Dat is niet nieuw; de Fransman Condorcet (filosoof, parlementariër en als politicoloog-avant-la-lettre bedenker van een gelijknamige kiesmethode) merkte dit al op in 1790.

 

Chronisch pessimistisch

Het pessimisme van de Nederlanders bleef lange tijd beperkt tot de samenleving en de politiek. ‘Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht.’ Het SCP volgt al sinds het voorjaar van 2008 elk kwartaal de stemming onder de bevolking met de vraag of men vindt dat het met Nederland eerder de goede of de verkeerde kant uitgaat. Consequent vind zo’n tweederde van de bevolking dat het met Nederland de verkeerde kant uitgaat. Er zijn wat ‘uitschieters’ naar 70% of naar 59%, maar grosso modo is de houding constant. Nederland is chronisch pessimistisch.

Dit chronische pessimisme lijkt niet eens ingegeven door feitelijke omstandigheden. Het pessimisme verschilt voor de crisis nauwelijks van tijdens de crisis. Waar de verhoudingen relatief constant blijven, veranderen de motivaties. Soms noemden kiezers Fitna, dan weer de val van DSB, gegraai aan de top, of de rellen in Gouda.

Het lijkt er dus op dat nieuwe voorbeelden vooral worden gebruikt ter onderbouwing van een reeds bestaande, stabiele houding van pessimisme of optimisme.

 

Maar nu gaat het ook ‘met mij’ slecht

In zijn afscheidsrede signaleerde Paul Schnabel (SCP) een verandering. Lange tijd bleef het nationale chagrijn beperkt tot de publieke sfeer; over ons eigen leven en inkomen waren we nog wel positief. Maar dat is de laatste jaren omgeslagen. “Het consumentenvertrouwen is nog nooit zo laag geweest en weinigen lijken te geloven in de bezwerende tekst uit het nieuwe regeerakkoord dat het kabinet er door zijn maatregelen in zal slagen Nederland sterker uit de crisis te laten komen. De Nederlander vreest eerder dat diezelfde maatregelen hem verzwakt in de crisis laten zitten. Van te optimistisch zijn we van de weeromstuit te pessimistisch geworden.”

 

De kracht van het pessimisme: We zijn nog pessimistischer dan wijzelf

Wij Nederlanders zijn zelfs pessimistischer dan wijzelf. In 2008 (p63) volgde het SCP een groep Nederlanders: zowel vroeg in het voorjaar als laat in het najaar werd dezelfde groep Nederlanders naar hun oordeel gevraagd over oa. de politiek in Den Haag. In dat jaar bleek 47% van de ondervraagden tevredener te zijn geworden over de politiek, en 17% ontevredener. Maar toen diezelfde groep Nederlanders werd gevraagd of zij, terugblikkend, nu (eind 2008) tevredener waren dan vorig jaar (begin 2008), zij slechts 8% dat dat het geval was; 38% was retrospectief ontevredener. Ons pessimisme is dus sterker dan onze eigen beleving van (tevredenheid met) de ontwikkelingen in een voorgaande periode.

De kracht van het pessimisme bleek nog sterker in een follow-up studie uit 2009 (p74). In een soortgelijke opzet werd zowel herhaaldelijk (najaar 2008, najaar 2009) als in terugblik (vanuit najaar 2009 op voorgaande jaar) gevraagd naar de tevredenheid met de samenleving en de economie. Ook in 2009 was het pessimisme in de terugblik is veel sterker dan een trend in de tevredenheid in diezelfe periode zou suggereren. Bovendien bleken zelfs die Nederlanders die in 2009 (volgens herhaalde metingen) positiever waren gaan denken over samenleving en economie, in terugblik pessimistisch.  Van degenen die eind 2009 positiever dachten over de economie dan eind 2008 zag 66% in terugblik toch een verslechtering. Van degenen die positiever waren gaan denken over de samenleving zag 45% in retrospect alsnog een verslechtering.

Blijkbaar wordt terugblikkend het verleden mooier dan dat het zelfs door diezelfde burgers ervaren werd. Die gouden gloed past bij de weemoed naar het verleden, de kritiek op volgende generaties, en het pessimisme over de toekomst.

 

Resistent pessimistisch

Het Nederlandse pessimisme is dus niet alleen chronisch en resistent tegen objectieve veranderingen, maar zelfs resistent tegen de eigen subjectieve beleving ervan. Rutte zal er nog een hele kluif aan hebben om dat om te draaien.

About the author

Tom van der Meer
Tom van der Meer (1980) is Hoogleraar Politicologie, in het bijzonder Legitimiteit, Ongelijkheid en Burgerschap, aan de Universiteit van Amsterdam. Eerder werkte hij bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is sinds 2015 co-Directeur van het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) en Lokaal Kiezersonderzoek (LKO). Hij doet voornamelijk onderzoek naar Politiek vertrouwen, Kiesgedrag (electorale volatiliteit), Politieke socialisatie, en Sociaal kapitaal (burgerparticipatie, etnische diversiteit).

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)