Clinton, Palin en Pelosi als vrouwelijke rolmodellen?

No Comment

Hier volgt een gastbijdrage van Mathilde van Ditmars (@MMvanDitmars), PhD-kandidaat aan het European University Institute in Florence.

De situatie verbetert mondjesmaat, maar nog altijd bevinden zich aanzienlijk minder vrouwen dan mannen in politieke topfuncties. Het aantal vrouwelijke ministers en parlementariërs ligt in Nederland relatief hoog, maar ook hier hebben we bijvoorbeeld nooit een vrouwelijke premier gehad. Bij de zestien fractievoorzitters in de huidige Tweede Kamer zien we maar één vrouw.

Vaak wordt verondersteld dat het relatief lage aantal vrouwen in de Nederlandse politieke top niet zonder gevolgen blijft. Een gebrek aan vrouwelijke rolmodellen zou schadelijk uitpakken voor de politieke betrokkenheid van jonge vrouwen. Maar is dat zo?

Volgens rolmodeltheorieën kan de aanwezigheid van vrouwelijke politici er voor zorgen dat vrouwen actievere burgers worden. Met name jonge vrouwen zouden hiervoor gevoelig zijn, omdat hun ideeën over gender-rollen nog niet volledig zijn ontwikkeld. De aanwezigheid van vrouwelijke voorbeelden zorgt er dan ook voor dat het idee van politiek-als-mannenzaak geen wortel schiet, of althans in veel geringere mate.

 

Clinton, Palin, Pelosi

Het onderzoek dat tot nu toe hiernaar is uitgevoerd, levert gemengde resultaten op: sommige studies vinden inderdaad een dergelijk positief rolmodel-effect onder jonge vrouwen, andere niet. Een recent Amerikaans onderzoek van Mack Mariani en anderen werpt een wat nieuwere blik op de materie door ook de context van de sterk gepolariseerde Amerikaanse politiek in beschouwing te nemen.

De auteurs onderzoeken op nationaal niveau wat de effecten zijn van drie Amerikaanse, vrouwelijke rolmodellen op de politieke betrokkenheid van jonge vrouwen. Ze kijken naar de kandidatuur van Hillary Clinton, de kandidatuur van Sarah Palin, en de verkiezing van Nancy Pelosi tot House Speaker. Wat nieuw is aan dit onderzoek is dat ook de partijvoorkeur en ideologie van de respondenten wordt meegenomen in de analyses, vanwege de hoge mate van politieke polarisatie in de VS.

Het onderzoek is als volgt uitgevoerd: de gemiddelde mate van voorgenomen politieke betrokkenheid van jonge mannen en vrouwen wordt met elkaar vergeleken voor, tijdens en na de periodes waarin de drie ‘rolmodel-events’ plaatsvonden van Clinton (eerste presidentiele campagne, van januari 2007 tot juni 2008), Pelosi (verkozen begin 2007) en Palin (vicepresident kandidatuur, augustus tot november 2008). Deze drie gebeurtenissen worden door de auteurs beschreven als een ideale test om rolmodeleffecten te vinden: met andere woorden, als er hier geen sprake is van dergelijke effecten, dan bestaan ze waarschijnlijk helemaal niet.

Hoewel de meting van “voorgenomen politieke betrokkenheid” wat vragen kan oproepen (de waarschijnlijkheid van het aanschrijven van overheidsfunctionarissen; werken in een politieke campagne; en geld doneren aan politieke kandidaten of fondsen), zijn de resultaten interessant. Tussen 2006 en 2008 is er inderdaad een piek in politieke betrokkenheid voor liberale vrouwen, maar de verschillen zijn niet significant. Hetzelfde geldt voor conservatieve vrouwen in het jaar na de kandidatuur van Palin.

Zodra echter wordt gecontroleerd voor partijvoorkeur in plaats van ideologie, is er wel degelijk een aantoonbaar rolmodel-effect in 2007 onder Democratische vrouwen, het jaar van de eerste campagne van Hillary Clinton en de verkiezing van Nancy Pelosi. Een rolmodel-effect van Sarah Palin onder Republikeinse vrouwen blijft echter uit.

 

Politieke schijnwerpers

Deze resultaten suggereren dat een vrouw in de politieke schijnwerpers niet vanzelfsprekend zorgt voor verhoogde politieke betrokkenheid onder alle groepen vrouwen in de VS: het rolmodel moet namelijk uit het eigen kamp komen. De vraag blijft bovendien waarom er geen effect wordt gevonden voor Sarah Palin onder de eigen aanhangers maar wel voor Hillary Clinton.

De resultaten van dit Amerikaanse onderzoek kunnen niet zonder meer ook worden vertaald naar de Nederlandse context. Hoewel ons partijlandschap weliswaar sterk versplinterd is, is de mate van polarisatie niet zo hoog als in VS. Het is aannemelijk dat, onafhankelijk van politieke kleur, een hooggeplaatste vrouwelijke politicus een voorbeeld vormt voor jonge vrouwen op diverse posities in het politieke spectrum. Alleen zullen hier ook in Nederland dit effect begrensd zijn. Een fervent PVV-aanhangster zal wellicht niet snel meer politiek betrokken worden door een vrouwelijke SP’er op een hoge positie. De empirische vraag blijft dan ook tot op welke hoogte partijvoorkeur of ideologie een dergelijk rolmodel-effect in de weg staat, of juist stimuleert.

About the author

Armen Hakhverdian
Universitair hoofddocent politicologie aan de Universiteit van Amsterdam

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)