De ideologische basis van politiek vertrouwen

No Comment

The Monkey Cage – één van de fijnste plekjes op het internet – heeft een mooie reeks blogs over politieke polarisatie in de Verenigde Staten. In een recente bijdrage kijken Marc Hetherington en Thomas Rudolph naar politiek vertrouwen onder Amerikanen. Vertrouwen in de overheid blijkt een sterke ideologische basis te hebben in de zin dat deze afhangt van de eigen partijvoorkeur ten opzichte van de partijpolitieke kleur van de president. Met andere woorden, onder Democratische presidenten zullen de Democraten meer politiek vertrouwen etaleren dan Republikeinen, maar onder Republikeinse presidenten klapt dit effect om:

 

hetheringtonfigure2

Bron: Hetherington en Rudolph, The Monkey Cage

 

Dit is ook goed te zien wanneer we inzoomen op het presidentschap van Obama. De wisseling van de wacht eind 2008 heeft een boost gegeven aan het politiek vertrouwen van Democraten, die onder Bush meer wantrouwend waren ten opzichte van de overheid dan de Republikeinen.

 

hetheringtonfigure3

Bron: Hetherington en Rudolph, The Monkey Cage

 

Deze patronen passen binnen een benadering van vertrouwen als een relatie tussen een subject en een object, waarin de eerste een inschatting maakt over de mate waarin de tweede haar schade (in de ruimste zin van het woord) zou kunnen toebrengen. Het vertrouwen onder Democraten leeft op wanneer ‘één van hen’ het roer overneemt en beleid gaat implementeren dat de Democraten na aan het hart ligt.

Deze dynamiek uit zich ook in de publieke opinie jegens de afluisterpraktijken van de NSA. Onder George W. Bush vond drie kwart meerderheid van de Republikeinen dat afluisteren acceptabel was tegenover een derde van de Democraten. Onder Obama vinden Democraten afluisteren ineens minder problematisch dan Republikeinen…

 

6-10-13-4

Bron: Pew Research

 

Levels of losing

Toch bestaan er gradaties in de mate waarin je kunt winnen of verliezen. Zo doet verliezen aanzienlijk meer pijn als je vier of vijf jaar veroordeeld bent tot de oppositiebankjes zonder reële mogelijkheid om beleid te beïnvloeden, dan wanneer je bijvoorbeeld wat zetels verliest, maar toch kunt deelnemen aan een regering. In Nederland blijft daarom het politiek vertrouwen onder oppositionele kiezers relatief hoog, zeker vergeleken met soortgelijke ‘verliezers’ in meerderheidsstelsels.

Maar ook in meerderheidsstelsels zijn er nuances in verlies aan te brengen. Ik heb vorig jaar een Bachelorscriptie mogen begeleiden van Clint Claessen, waar dit onderwerp aan bod kwam. Clint heeft gekeken naar de Britse parlementsverkiezingen van 2010 en wat er gebeurt met het politiek vertrouwen van kiezers voor en na de verkiezingen. De Conservatieven boekten een ‘dubbele’ winst (winst qua zetels en regeringsdeelname), terwijl Labour een ‘dubbele’ nederlaag boekte (verlies qua zetels en veroordeeld tot oppositie). De Liberal Democrats hadden een gemengde uitslag (verlies qua zetels, maar wél regeringsdeelname).

Wat dus heel aardig is, is dat we deze verschillende ‘levels of losing’ terugvinden in het politiek vertrouwen onder aanhangers van deze partijen. Op basis van een aantal vragen over vertrouwen in politieke instituties (parlement, politie, rechtbanken, partijen, politici, etc.) kunnen we een index voor politiek vertrouwen voor en na de verkiezingen samenstellen voor dezelfde Tory-, Labour-, en LibDem-aanhangers (de British Election Study van 2010 stelt dezelfde vragen aan dezelfde respondenten voor en na de verkiezingen).

 

Winnaars en verliezers in het Verenigd Koninkrijk

In de onderstaande figuur laat Clint zien dat Tory-stemmers meer politiek vertrouwen kregen door de dubbele winst van hun partij. LibDem-stemmers kregen een aanzienlijk kleinere boost, terwijl het politiek vertrouwen van Labour-stemmers juist achteruit ging. Voor geen van de overige partijen bestonden significante verschillen in politiek vertrouwen ‘pre en post’, maar het aantal respondenten dat op één van deze partijen had gestemd was dan ook buitengewoon laag.

 

Screen shot 2014-02-12 at 22.45.03

Bron: Claessen (2013).

 

Politiek vertrouwen heeft dus een tamelijk duidelijke partijpolitieke component. Wanneer een ideologisch verwante partij of politicus een verkiezing wint, heeft dat positieve gevolgen voor het politiek vertrouwen onder de aanhangers. Eén van de voordelen van een proportioneel ingerichte democratie is dat dergelijke schommelingen in politiek vertrouwen als gevolg van verkiezingen beperkt blijven. Winnaars kennen minder hoge pieken, verliezers kennen minder diepe dalen.

About the author

Armen Hakhverdian
Universitair hoofddocent politicologie aan de Universiteit van Amsterdam

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)