De rode haan kraait nog volop

No Comment

De val van de Muur in 1989 bezegelde de ineenstorting van het communisme, zo veel was wel zeker. Francis Fukuyama kondigde zelfs het einde van de ideeëngeschiedenis af: van nu af aan regeerde het liberalisme, zonder concurrentie. Maar nu, een kwart eeuw later bloeien in Europa allerhande radicaal linkse partijen.

 

“Proletariërs aller landen, verenigt U!” Deze kreet hoor je niet meer zo vaak tegenwoordig. Natuurlijk, zo nu en dan kom je nog weleens een enkele radicalo tegen die druk zwaaiend met het Communistisch Manifest van Marx en Engels of het Rode boekje van Mao en vol passie uitlegt dat het tijd is voor revolutie. Maar in het algemeen is een kwart eeuw na de val van de Berlijnse Muur het klassiek-kommunistiese gedachtegoed vrijwel geheel verdwenen uit het West-Europese publieke debat.

Deze teloorgang van het klassieke communisme betekent echter geenszins dat het radicaal linkse gedachtegoed uit het debat is verdwenen. Er zijn verschillende ontwikkelingen die laten zien dat radicaal linkse ideeën allesbehalve op hun retour zijn. Zo werd de Franse econoom Thomas Piketty begin november onthaald als een ware popster. Zijn boek over vermogensongelijkheid, culminerend in een pleidooi progressieve mondiale belastingen in te voeren, gaat als zoete broodjes over de toonbank en voert inmiddels in veel landen de bestsellerlijstjes aan. Blijkbaar bestaat er een grote behoefte aan een origineel links geluid. En in 2011 al was de Occupybeweging zeer populair. De boodschap dat de machtige en rijke 1% de overige 99% van de bevolking uitbuit sloeg bij veel mensen aan, en zorgde voor brede steun voor de bekende tentenkampen. Hoewel de beweging door een gebrek aan organisatie in veel landen inmiddels op sterven na dood is, geeft haar tijdelijke, maar plotselinge en hevige succes aan hoe groot de behoefte was aan een radicaal links geluid.

Maar de populariteit van het radicaal linkse gedachtegoed blijkt vooral uit de electorale successen van radicaal linkse politieke partijen. Tijdens de verkiezingen voor het Europees Parlement in mei van dit jaar wist het Griekse SYRIZA het aantal zetels te verzesvoudigen. Waar de partij in 2009 nog 5% van het electoraat achter zich had weten te krijgen, wist ze in 2014 steun te krijgen van maar liefst 27% van de kiezers. Het Spaanse Podemos deed voor de eerste keer mee aan de Europese verkiezingen en wist in één keer 8% van het electoraat aan zich te binden. Ook de Nederlandse SP wist meer kiezers achter zich te scharen dan in 2009. Uit onderzoek van de politicoloog Luke March blijkt dat de radicaal linkse partijfamilie het qua nationale electorale successen zelfs beter doet dan radicaal rechts – een partijfamilie waar in het publieke debat veel meer aandacht voor is.

Wat zijn nu precies de ideeën van deze partijen? En waar komt hun succes vandaan? Om die vragen te beantwoorden zal ik kort vier verschillende typen radicaal linkse partijen bespreken: de moderne communisten, de democratisch socialisten, de linkspopulisten, en de sociale media-activisten.

 

De moderne communisten

De moderne communisten zijn in vergelijking met de andere radicaal linkse partijen op veel vlakken behoorlijk conservatief en traditioneel. Een groot verschil met de oude communistische partijen is echter dat deze moderne communisten het klassieke marxisme-leninisme achter zich hebben gelaten. Een voorbeeld is de in de jaren twintig van de vorige eeuw opgerichte Parti communiste français (PCF). Midden jaren negentig ging de toenmalige leider Robert Hue met de bezem door de partij. Hij nam afstand van Stalin en de Sovjetunie en benadrukte dat de partij geen revolutie wilde maar haar doelen wilde bereiken via de ‘evolutionaire’ parlementaire weg. De partij veranderde drastisch haar standpunten met betrekking tot vrouwenrechten en homoseksualiteit. Dit resulteerde uiteindelijk in regeringsdeelname tussen 1997 en 2002. Toch heeft de door Hue ingezette hervorming van de partij zich niet helemaal doorgezet. Het electoraat van de PCF bestaat nog steeds voor een groot gedeelte uit laagopgeleide, oude mannen. Sinds 2008 maakt de PCF deel uit van de Front de gauche (FG), een samenwerkingsverband van verschillende radicaal linkse bewegingen. De leider van dit samenwerkingsverband, Jean-Luc Mélenchon, is wat progressiever ingesteld dan de meeste PCF-politici, en zijn leiderschap zorgt daarom nog wel eens voor gemor in de PCF-achterban. Dit gemor wordt nog eens versterkt door de angst voor het radicaal rechtse Front National (FN) van Marine Le Pen, dat net als de PCF veel aanhangers heeft onder de laagopgeleide arbeidersklasse.

Een voorbeeld van een minder succesvolle modern communistische partij is de Italiaanse Partito della Rifondazione Comunista (PRC). Opgericht in de jaren negentig is de PRC een relatief nieuwe speler. De partij is een afsplitsing van de Italiaanse Communistische Partij (PCI), die later als de PDS en PD een sociaaldemocratische weg is ingeslagen. De partij heeft altijd verschillende ideologische stromingen proberen aan te spreken. Het profiel van de partij kan dan ook worden omschreven als een soort mix van traditioneel trotskisme, feminisme en ecologisme. Door deze mix is er vaak sprake geweest van interne verdeeldheid. Toch is de partij zich in de loop van de eenentwintigste eeuw steeds sterker op gaan stellen als een partij die niet bang is voor het nemen van regeringsverantwoordelijkheid. Maar door het bestaan van een behoorlijk grote groep traditionele communisten die niet van het sluiten van compromissen houden is er altijd veel gerommel geweest en heeft de partij zich nooit definitief kunnen ontwikkelen tot een meer progressieve politieke beweging. De electorale steun voor de partij is mede hierdoor de laatste jaren flink afgenomen.

 

De democratisch socialisten

Een tweede groep van radicaal linkse partijen wordt gevormd door de democratisch socialisten. Zij zijn veel progressiever dan de moderne communisten en leggen een grotere nadruk op zaken als feminisme, ecologisme en participatieve democratie. Deze partijen verschillen ook van de sociaaldemocraten. Ze zijn veel sterker voorstander van sociaaleconomische herverdeling en een grote overheid en ze bekritiseren de sociaaldemocraten omdat ze vinden dat zij veel te sterk neoliberaal zijn.

Een goed voorbeeld van een democratisch socialistische partij is de Finse Linkse Alliantie (Vasemmistoliitto, VAS). VAS is in de jaren negentig van de vorige eeuw voortgekomen uit de Finse Communistische Partij. Een groot verschil met moderne communisten zoals de PCF en de PRC is dat VAS zich veel meer dan deze partijen profileert als een progressieve rood-groene partij die een sociaaleconomisch zeer links gedachtegoed combineert met postmaterialistische standpunten op het gebied van bijvoorbeeld duurzame ontwikkeling, vrouwenrechten en participatieve democratie. Toch is heeft de partij nog lange tijd een behoorlijk traditioneel imago gehouden en deed het daardoor lange tijd niet goed onder hoogopgeleide jongeren. Daar lijkt in de eenentwintigste eeuw verandering in te zijn gekomen. De huidige leider van de partij, Paavo Arhinmäki, is er in geslaagd de partij een wat moderner imago te geven. De verkiezingscampagnes zijn de laatste jaren sterk gericht geweest op sociale media, en onder de VAS-parlementariërs zijn de laatste jaren steeds meer jongeren en vrouwen. Ook heeft VAS in de eenentwintigste eeuw haar opvattingen over de EU wat aangescherpt. Waar de partij eerst behoorlijk sterk pro-Europa was, is ze de laatste tijd opgeschoven naar een wat Eurosceptischere houding. De partij kan rekenen op steun van zo’n 10-15 procent van het electoraat. Een nadeel van de combinatie van een klassiek links gedachtegoed, progressieve opvattingen op het gebied van democratie en milieu, en een behoorlijk Eurosceptische houding is dat de partij concurrentie ondervindt van zowel de Groenen als de radicaal rechtse Ware Finnen.

Een democratisch socialistische partij met een heel andere ontstaansgeschiedenis is het Griekse SYRIZA (Coalitie van Radicaal Links). SYRIZA is, zoals de naam al aangeeft, een samenwerkingsverband van verschillende radicaal linkse partijen. De partij combineert een klassiek links gedachtegoed met een sterke nadruk op ecologisme en minderheidsrechten. In 2004 deed de partij voor het eerst mee aan nationale verkiezingen en wist ongeveer 3 procent van het electoraat achter zich te krijgen. In het begin was er regelmatig veel intern gedoe aangezien één van de partijen die was opgegaan in SYRIZA, Synaspismos, verreweg de grootste partij was en de andere partijen zich vaak benadeeld voelden. Ook was er een duidelijke kloof tussen degenen die voorstanders waren van verdere EU-integratie en degenen die daar fel tegen waren. Inmiddels is de partij, mede door toedoen van de huidige leider, Alexis Tsipras, veel sterker een geheel geworden. Tsipras heeft zich altijd meer opgesteld als pragmaticus dan als revolutionair, en heeft op die manier veel steun verworven onder de bevolking. Bij de verkiezingen voor het Europees Parlement is SYRIZA de grootste partij geworden, en in de nationale peilingen steekt de partij momenteel met kop en schouders boven alle andere partijen uit. SYRIZA laat mooi zien dat een inhoudelijke combinatie van klassiek linkse thema’s met postmaterialistische opvattingen en een vleugje euroscepsis, uitgedragen door een jonge, enthousiaste en pragmatische leider, een goed recept is voor electoraal succes.

 

De linkspopulisten

Het derde type radicaal linkse partijen bestaat uit de linkspopulisten. Zij vertonen veel overeenkomsten met de democratisch socialisten maar combineren hun ideeën met een sterke populistische boodschap: de politiek maakt er een zooitje van en zou meer naar de ‘gewone burger’ moeten luisteren. Een duidelijk voorbeeld van een linkspopulistische partij is ‘onze eigen’ SP in de jaren negentig. De SP werd in de jaren zeventig opgericht als een maoïstische partij. Later werd het klassieke communistische gedachtegoed afgezworen, en vanaf de jaren negentig stond zelfs het woord ‘socialistisch’ niet meer centraal. De SP wist pas in 1994 voor het eerst zetels in de Tweede Kamer te bemachtigen. De campagneslogan destijds was ‘stem tegen, stem SP’, en is exemplarisch voor het populistische gedachtegoed dat de partij in die jaren uitdroeg. De boodschap van de partij was dat de gevestigde partijen er een potje van maakten en geen flauw idee meer hadden van wat de gewone burger belangrijk vond. Na verloop van tijd heeft de partij dit populisme sterk gematigd (maar nooit volledig verworpen) – waarschijnlijk in de hoop zo een salonfähige partij te worden. Inmiddels kan de SP omschreven worden als een licht populistische partij. De SP doet het electoraal niet zo goed als bijvoorbeeld SYRIZA, maar de partij mag zich inmiddels een stabiele factor van belang noemen in het Nederlandse politieke landschap.

Bij onze oosterburen vinden we een ander voorbeeld van een linkspopulistische partij: Die Linke. De partij is een fusie van de Oost-Duitse en communistische PDS en een afsplitsingsbeweging van de West-Duitse sociaaldemocratische SPD. De twee partijen vonden elkaar in hun protest tegen de volgens hen neoliberale ‘Agenda 2010’ – een pakket hervormingen van toenmalig Bondskanselier Schröder. Door dit gezamenlijke protest tegen Schröders beleid ontwikkelde Die Linke zich al snel tot een protestpartij die zich uiteindelijk niet alleen verzette tegen dit specifieke beleid, maar tegen het volgens hen corrupte politieke establishment in zijn algemeen. De populistische boodschap van de partij was echter niet alleen tegen de politieke elite gericht. Die Linke presenteerde ook hun anti-kapitalistische agenda als een populistische boodschap: de economische elite van grote bedrijven buit de gewone, hardwerkende burger uit en zorgt voor een grote ongelijkheid tussen elite en massa. Die Linke combineerde deze anti-kapitalistische en populistische boodschap met een sterk pacifistische instelling. Bij de laatste paar verkiezingen heeft de partij telkens rond de 10 procent van de kiezers achter zich weten te krijgen. Binnenkort levert Die Linke voor de eerste keer de minister-president van één van de Duitse deelstaten (Thüringen).

 

De sociale media-activisten

De sociale media-activisten vormen de modernste variant van radicaal linkse partijen. Het (vooralsnog) enige succesvolle voorbeeld is het Spaanse Podemos (‘we kunnen’). Deze partij is pas in 2014 opgericht en kwam voort uit de Spaanse variant van de Occupybeweging – de Indignados (‘verontwaardigden’). De partij verzet zich sterk tegen het kapitalisme in het algemeen en de huidige economische situatie in Spanje in het bijzonder. Podemos bekritiseert de elite van bankiers die volgens de partij de gewone burgers uitbuit. Daarnaast pleit de partij voor meer participatieve democratie, meer transparantie, minder besparingen en minder corruptie. De partij maakt veel gebruik van sociale media; ze plaatst veel berichten op Facebook, zet regelmatig filmpjes op Youtube, en heeft een zeer goed bezochte website. Door deze strategie wist de partij in slechts twintig dagen ongeveer 100.000 leden te werven. Daarmee is de partij in ledenaantallen de op twee na grootste Spaanse partij. Podemos is vooral populair onder jonge, hoogopgeleide kiezers. In Spanje heerst een gigantische jeugdwerkloosheid waardoor jongeren erg onzeker zijn over hun toekomst. Podemos geeft deze jongeren hoop op een betere toekomst. Tijdens de Europese verkiezingen haalde de partij 8 procent van de stemmen binnen. Sindsdien is er in Spanje een explosie geweest van corruptieschandalen, en is de politieke onvrede onder kiezers gigantisch gestegen. Mede hierdoor gaat Podemos inmiddels aan kop in de peilingen.

 

Aanpassingsvermogen

Radicaal linkse partijen hebben hun succes voor een groot gedeelte te danken aan hun aanpassingsvermogen. Klassiek-kommunistiese partijen die star vast zijn blijven houden aan een marxistisch-leninistische blauwdruk, zijn steeds meer in de marge terecht gekomen. Maar de partijen die sterk linkse opvattingen op sociaaleconomisch vlak hebben weten te combineren met progressieve en postmaterialistische standpunten op het gebied van bijvoorbeeld milieu, democratie en minderheidsrechten, en eventueel een vleugje Euroscepsis en populisme, zijn er vaak in geslaagd een substantieel deel van het electoraat aan zich te binden. Het klassieke communisme is niet meer van deze tijd, maar het moderne radicaal linkse gedachtegoed is alive and kicking.

 

Dit stuk verscheen eerder in De Republikein.

Literatuur: Luke March (2011) ‘Radical Left Parties in Europe’. New York: Routledge.

 

About the author

Matthijs Rooduijn
Matthijs Rooduijn is politiek socioloog en werkt als universitair docent bij de afdeling Sociologie van de Universiteit Utrecht. Hij doet onderzoek naar de oorzaken en gevolgen van de opkomst van populistische en radicale politieke partijen, kiesgedrag en publieke opinie.

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)