De structurele erfenis van Fortuyn: het culturele debat

No Comment

Aan de moord op Pim Fortuyn, gisteren 11 jaar geleden, is dit jaar publiek weinig aandacht besteed. Fortuyns blijvende stempel op het Nederlandse partijstelsel is vooral fundamenteel.

Geen verandering van kiezers

Het is een misverstand te denken dat Nederlandse kiezers door de opkomst van Fortuyn een ruk naar rechts hebben gemaakt. Van zo’n ideologische verschuiving van kiezers was geen sprake, niet op sociaaleconomische en niet op culturele onderwerpen. Veelzeggend is dat culturele onderwerpen als immigratie en integratie onder Nederlandse kiezers al sinds 1994 in de top 3 stonden van belangrijkste maatschappelijke problemen, ruim 8 jaar voor de Fortuynrevolte dus.

 

Geen erfgenaam

De LPF brak in 2002 door met maar liefst 26 zetels. Heeft die doorbraak, ondanks het snelle verdwijnen van de LPF, geleid tot een erfgenaam die de stemmenpotentie bundelt? Niet echt. Op basis van het EenVandaag OpiniePanel lijken de kiezers van de LPF bij de verkiezingen van 2012 te zijn uitgewaaierd over meerdere partijen: PVV, VVD en – in mindere mate – SP. In alle partijen zijn de voormalige LPF-kiezers een minderheid.

 

Verandering van de structuur van het partijstelsel

De blijvende verandering na de Fortuynrevolte is veel fundamenteler. Fortuyn heeft ideologisch succesvol ingebroken in de structuur van het Nederlandse partijstelsel. Tot 2002 vond partijcompetitie vooral plaats op twee conflictlijnen: sociaaleconomische en ethische thema’s. Sinds 2002 heeft de ethische conflictdimensie plaatsgemaakt voor een culturele. Die verandering zien we zowel in partijposities, als in de opvattingen en het stemgedrag van kiezers.

 

Beheersen van conflicten

Hoe waarom leidde juist de LPF tot een omslag, en waarom juist in 2002? De opkomst van Fortuyn en de omwenteling van de structuur van het partijstelsel in 2002 vormen een illustratie van veel oudere politicologische theorieën hoe gevestigde partijen proberen te bepalen welke conflicten wel en (vooral) niet worden uitgevochten, zo beschreven Huib Pellikaan, Sarah de Lange en ikzelf in 2007.

De Amerikaan Elmer Schattschneider schetste al in 1960 dat de heersende partijen er om strategische redenen baat bij hebben om te bepalen op welke conflictdimensies zij strijden om de gunst van de kiezer. Gezamenlijk zullen zij dus alternatieve conflictdimensies proberen te integreren (zoals eerder gebeurde met o.a. milieu) of, als dat niet mogelijk is, te negeren. Ook de Ierse politicoloog Peter Mair, jarenlang hoogleraar in Leiden, benadrukte in 1997 dat de werkelijke partijcompetitie draait om een strijd tussen de gevestigde partijen die baat hebben bij de huidige conflictdimensies, en partijen die die  status quo willen doorbreken door een nieuwe dimensie te introduceren. Het succes van die strategie voor gevestigde partijen draait om een juiste balans tussen het accommoderen en negeren van nieuwe conflictdimensies.

In Nederland vond het debat over de multiculturele samenleving – vooral na het vertrek van Bolkestein in 1998 – nauwelijks nog plaats in de Tweede Kamer. De brede Paarse coalitie kende in het parlement weinig inhoudelijke oppositie, mede doordat het Paarse regeerakkoord op sociaaleconomische thema’s nauwelijks afweek van het CDA-programma. Verschillende Nederlandse politicologen schetsten in 2001 dat de combinatie van consensuspolitiek en brede coalities ruimte bood voor een meer populistische oppositie van buitenaf. [zie hier voor de argumentatie, bij gebrek aan online links naar de artikelen uit 2001]

Fortuyn slaagde erin om een politiek onzichtbare bevolkingsgroep, die sceptisch stond tegenover immigratie en multiculturalisme, te mobiliseren en een stem te geven. Hoe harder gevestigde partijen zich opstelden tegenover Fortuyn, hoe meer dat een bevestiging vormde dat een doorbraak op culturele issues zonder Fortuyn niet mogelijk zou zijn. Veel kiezers gaven hun stem op basis van een te lang genegeerd thema. Het is een omwenteling die vooralsnog is gebleven.

About the author

Tom van der Meer
Tom van der Meer (1980) is Hoogleraar Politicologie, in het bijzonder Legitimiteit, Ongelijkheid en Burgerschap, aan de Universiteit van Amsterdam. Eerder werkte hij bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is sinds 2015 co-Directeur van het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) en Lokaal Kiezersonderzoek (LKO). Hij doet voornamelijk onderzoek naar Politiek vertrouwen, Kiesgedrag (electorale volatiliteit), Politieke socialisatie, en Sociaal kapitaal (burgerparticipatie, etnische diversiteit).

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)