Een glazen plafond voor vrouwen in de wetenschap? Verkenning van twee alternatieve verklaringen

7 Comments

Vandaag een gastbijdrage door Thijs Bol (@thijs_bol), universitair docent Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Afgelopen week werd de Monitor Vrouwelijk Hoogleraren 2015 gepresenteerd. Hieruit bleek—wederom—dat vrouwen sterk ondervertegenwoordigd zijn in de top van de Nederlandse wetenschap: slechts 17,1% van de Nederlandse hoogleraren is vrouw. De vraag is natuurlijk waarom maar zo weinig vrouwen in Nederland hoogleraar zijn. In de Monitor wordt het glazen plafond als voornaamste reden gegeven: bij elke tussenstap zijn er structurele barrières die vrouwen belemmeren om door te stromen naar een hogere functie. Vrouwen zijn nog oververtegenwoordigd als student (53,4% van de afgestudeerden is vrouw), maar bij elke volgende stap neemt het aantal vrouwen af. Onder de gepromoveerden is nog maar 43,5% vrouw, en dat loopt via universitair docenten (UD; 37%), universitair hoofddocenten (UHD; 25,6%) terug tot de eerder genoemde 17,1% onder hoogleraren (HGL). In een interview stelt Marise Born, één van de auteurs van het rapport, dat dit komt door seksisme bij benoemingen en selecties. Nog steeds kiezen commissies vaker voor een man dan een vrouw als hoogleraar.

Het glazen plafond kan een belangrijke verklaring zijn voor het lage aantal vrouwelijke hoogleraren, maar tegelijkertijd zijn de gepresenteerde cijfers erg ongenuanceerd, en laten veel ruimte open voor vragen. In dit blog onderzoek ik twee alternatieve verklaringen: (i) historisch aanbod en (ii) de Simpson paradox.

 

i. Aanbod

Het grotere aandeel vrouwelijke afgestudeerden in 2014 kan natuurlijk nooit zorgen voor een hoger aandeel hoogleraren in 2014. De hoogleraren die we nu observeren in de data zijn allemaal in de vorige eeuw afgestudeerd, de meer senior hoogleraren zelfs in de jaren ’70. In de jaren ’70 en ‘80 waren er veel meer mannelijke dan vrouwelijke studenten, het is daarom dus logisch dat we nu nog steeds meer mannelijke hoogleraren zien. Met andere woorden: de studentencijfers van 2014 zeggen erg weinig over het wetenschappelijk personeel wat nu aangenomen wordt.

Het komende decennium zullen we in de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren keer op keer dezelfde conclusie lezen: “Grote minderheid van de hoogleraren is vrouw”. In het rapport wordt gesteld dat dit weergeeft dat het een “taai” probleem is. Dat is een vreemde conclusie. Het geeft vooral weer een cohort-effect weer: de meeste hoogleraren zijn oud en mannelijk, en die verdwijnen niet van het ene op het andere jaar. Het is net zo vreemd dat Born het huidige selectiebeleid gebruikt om cijfers te verklaren die gebaseerd zijn op wetenschappers die soms decennia geleden al zijn aangenomen of benoemd.

In het rapport wordt deze verklaring weggewoven met het argument dat er nu al voldoende vrouwelijke universitair hoofddocenten zijn om de hoogleraren die binnenkort met pensioen gaan te vervangen. Dit argument is weinig overtuigend omdat het veronderstelt dat van de mannelijke universitair hoofddocenten praktisch niemand hoogleraar wordt. Ook al klopt het dat er technisch gezien genoeg vrouwen zijn om lege hoogleraar-plekken op te vullen, zou het onredelijk zijn om het toe te schrijven aan een ‘glazen plafond’ wanneer dit niet gebeurt.

 

ii. Simpson paradox

Een tweede verklaring is dat de data in de Monitor vertekenen vanwege een Simpson paradox. Hoe zo’n Simpson-paradox werkt wordt mooi uitgelegd door Casper Albers aan de hand van een recent artikel over (de absentie van) gender-ongelijkheid in de toewijzing van Veni-beurzen. Hij analyseerde de data opnieuw en zag dat vrouwen vaker een beurs aanvroegen in gebieden waar de kans op een beurs lager is (Maatschappij- en Gedragswetenschappen), terwijl mannen oververtegenwoordigd zijn in gebieden waar de kans op een beurs hoger is (Natuurkunde).

Eenzelfde verklaring kan ten grondslag liggen aan de grote genderongelijkheid in het hoogleraarschap. Wat als vrouwen veel vaker werkzaam zijn in gebieden waar minder hoogleraren werken? Uit de Monitor blijkt al dat er grote verschillen zijn in de hoeveelheid vrouwelijke hoogleraren tussen de gebieden. Uit het rapport kunnen we niet opmaken hoeveel procent van de hoogleraren vrouw was geweest als de kans op hoogleraarschap evenredig verdeeld was tussen de gebieden. Met andere woorden: in hoeverre is het lage percentage vrouwelijke hoogleraren toe te schrijven aan de mogelijkheid dat vrouwen vaker werkzaam zijn in gebieden waar er überhaupt minder hoogleraren aangesteld worden?

 

Data

Ik onderzoek twee vragen. Ten eerste: wordt er nu, in 2014, nog steeds slechts 17,1% van de hoogleraar-plekken toegewezen wordt aan een vrouw? Deze vraag blijft grotendeels onbehandeld in de Monitor van 2015, en is ook lastig te bestuderen. Idealiter zouden we hiervoor een cohortstudie gebruiken, waarbij we promovendi zouden volgen over hun carrière. Zo’n onderzoek bestaat niet in Nederland, en bovendien zouden we dan een paar decennia moeten wachten voordat we deze vraag kunnen beantwoorden.

Als alternatief kijk ik daarom in deze blog naar leeftijd. Als het inderdaad zo is dat de ongelijkheid die we in 2014 zien een gevolg is van het verleden, verwachten we dat het genderverschil in wetenschappelijke benoemingen veel lager is wanneer we kijken naar jonge hoogleraren (<45 jaar). Deze hoogleraren zijn bijna allemaal afgestudeerd in de jaren ’90, toen het aantal mannelijke en vrouwelijke afgestudeerden (en dus het aanbod) redelijk vergelijkbaar was. Op eenzelfde manier verwachten we dat het man-vrouw verschil tussen universitair docenten en universitair hoofddocenten kleiner is wanneer we kijken naar alleen diegenen die relatief recent UD of UHD zijn geworden (<40 jaar). Samenvattend: we verwachten dat het verschil in het percentage vrouwelijke en mannelijke wetenschappers veel kleiner is wanneer we alleen kijken naar diegenen die relatief recent aangenomen zijn. Op zijn minst geven deze cijfers een veel meer accurate beschrijving van de huidige gender-ongelijkheid in wetenschappelijk personeel.

Ten tweede: in hoeverre is er sprake van een Simpson paradox? Om dit te onderzoeken zet ik de algemene kans op hoogleraarschap in verschillende gebieden af tegen de proportie vrouwen die werken in zo’n gebied. De kans op hoogleraarschap in een gebied is gedefinieerd als de proportie hoogleraren van al het wetenschappelijke personeel (UD’s, UHD’s en hoogleraren). Over dezelfde groep wetenschappelijk personeel wordt de proportie vrouwen berekend.

Om deze twee vragen te onderzoeken gebruik ik dezelfde data als het rapport: de WOPI bestanden van 1999-2014 met geaggregeerde personeelscijfers (beschikbaar op de website van de VSNU). Twee zaken zijn belangrijk om te benoemen. Ten eerste bestaat de data niet uit personen maar uit fte’s, wat wil zeggen dat ik analyseer hoeveel fulltime vrouwen en mannen er werkzaam zijn in een positie. Ten tweede wordt het deelgebied gezondheid niet geanalyseerd omdat deze data onvergelijkbaar zijn over de tijd. De hoeveelheid werknemers per geslacht en leeftijdsgroep is hiervoor gewogen.

 

Leeftijd en benoemingen

Figuur 1 laat de trend zien voor al het wetenschappelijk personeel. Er is een duidelijke opwaartse trend voor alle functies (UD, UHD en hoogleraar), en vooral voor UHD’s en hoogleraren is het percentage vrouwen in 2014 nog erg laag. Ook zien we tussen 1999 en 2014 een relatief grotere stijging onder de UHD’s en de UD’s dan de hoogleraren, waar de hellingshoek van de lijn kleiner is. Soortgelijke resultaten komen naar voren in de Monitor.

In Figuur 2 is per functie dezelfde trendlijn geplot, maar daarnaast ook het percentage van jonge werknemers (<45 jaar bij hoogleraar, <40 bij UD en UHD) dat vrouw is. Deze grafieken laten een minder ongelijk beeld zien voor voornamelijk UHD’s. Als we kijken naar de groep van universitair hoofddocenten die relatief recent is aangenomen zien we dat bijna 40% hiervan vrouwelijk is. Voor universitair docenten ligt dit percentage zelfs iets boven de 40%. Voor deze twee functies is er—onder de jonge wetenschappers—bijna volledige gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Onder jonge hoogleraren is het beeld minder rooskleurig. Zelfs als we alleen kijken naar die hoogleraren onder de 45, zien we dat minder dan een kwart (23%) vrouw is. Er lijkt, zeker in deze leeftijdsgroep, genoeg vrouwelijk aanbod te zijn. Desalniettemin blijft het percentage vrouwelijk hoogleraren laag.

figuur2

 

Simpson paradox

In Figuur 3 zien we het percentage hoogleraren in een deelgebied afgezet tegen het percentage vrouwen voor het jaar 2014. De grootte van de markers geeft de grootte van het gebied weer. We zien dat de man/vrouw-verhouding het meest gelijk is bij Gedrag en Maatschappij (G&M), waar iets meer dan 40% van de wetenschappelijke medewerkers vrouw zijn. Op Landbouw na is G&M ook het gebied waar de minste medewerkers hoogleraar zijn. Gegeven het feit dat het in absolute zin een vrij groot gebied is, heeft dit absoluut effect op de proportie van de totale hoogleraren die vrouw is. Aan de andere kant van het spectrum vinden we de Natuurwetenschappen: veel hoogleraren en veel mannelijke werknemers. Alhoewel er enigszins sprake lijkt van een Simpson paradox is het verband niet sterk. Rechten vormt de belangrijkste uitzondering: relatief veel werkzame vrouwen en veel hoogleraren.

figuur3

Het lijkt evident dat deze Simpson paradox het grote verschil in hoogleraarschap niet kan verklaren. Het geeft wel weer dat een 50/50 verhouding in hoogleraarschap misschien wel helemaal niet de uitkomst is van een gelijke man/vrouw-behandeling binnen wetenschapsgebieden. In een hypothetisch scenario waarin er even veel mannen als vrouwen werkzaam zouden zijn in de wetenschap, en mannen en vrouwen een even grote kans zouden hebben op een hoogleraarschap, verwachten we niet evenveel mannelijke als vrouwelijke hoogleraren. Dit heeft te maken met het feit dat vrouwen disproportioneel vaak kiezen voor velden waar minder hoogleraren aangesteld worden. We kunnen zo’n counterfactual scenario kwantificeren. Stel we verdelen 50 mannen en 50 vrouwen over de gebieden, en geven beiden een even grote kans op hoogleraarschap. Het enige waar we rekening mee houden is dat (a) gebieden niet even groot zijn en (b) vrouwen en mannen niet evenredig verdeeld zijn over gebieden. In zo’n scenario zouden we vinden dat er van de in totaal 27,6 hoogleraren onder die 100 wetenschappers, er 13,3 vrouw zouden zijn en 14,3 man. Met andere woorden: ongeveer 48 procent van de totale hoogleraren zou vrouw zijn bij gendergelijkheid binnen gebieden.

Het is overigens duidelijk dat de 17,1% dit bij lange na nog niet benadert.

 

Is er een glazen plafond?
Het voornaamste doel van dit blog was om een meer volledig beeld te geven van wat er speelt als het gaat om genderongelijkheid in de wetenschap. De belangrijkste take-home-message is dat alleen focussen op de gemiddelde proportie vrouwen dat hoogleraar is maar weinig zegt als we geen opsplitsingen maken. Hier maakte ik opsplitsingen op basis van gebied en leeftijd.

Vrouwen zijn disproportioneel werkzaam in gebieden met minder hoogleraren, maar zelfs op basis daarvan zouden we geen 17,1% maar 48% vrouwelijke hoogleraren verwachten. Bovendien is het natuurlijk zeer de vraag waarom sommige gebieden meer hoogleraren hebben, het is zeker plausibel dat wetenschapsgebieden waar meer vrouwen werken minder status hebben en dus minder financiering ontvangen voor hoogleraren.

Als we kijken naar de rol van leeftijd zien we dat bij de universitair docenten en met name universitair hoofddocenten onder de jonge medewerkers de verschillen nog maar klein zijn. Dit laat duidelijk zien dat de cijfers uit de Monitor geen recht doen aan de huidige situatie als het gaat om selectie. Er worden nog steeds meer mannen dan vrouwen aangenomen als universitair (hoofd-)docent, maar het verschil is veel kleiner dan wordt verondersteld. Bij de hoogleraren blijft zo’n verschil echter uit. Ook onder hoogleraren die maximaal 45 jaar oud zijn zien we dat de overgrote meerderheid (77%) man is. Het verschil tussen hoogleraren van alle leeftijden en jonge hoogleraren is dus minimaal, terwijl we gezien het sterk veranderende aanbod van vrouwelijke studenten een groter verschil zouden verwachten.

Deze resultaten geven geen definitief antwoord op de vraag of het glazen plafond de oorzaak is van gender-ongelijkheid onder hoogleraren. Het kan zijn dat de optimistische cijfers die we zien voor jonge universitair docenten en universitair hoofddocenten in de komende jaren door zullen schuiven naar hoogleraren. Tegelijkertijd is de ondervertegenwoordiging van vrouwen onder jonge hoogleraren lastig uit te leggen aan de hand van aanbod of de gebieden die zij kiezen, wat sterke aanwijzingen geeft voor de aanwezigheid van structurele barrières die het vrouwen bemoeilijken hoogleraar te worden.

About the author

Related Articles

7 Comments

  1. Casper Albers

    Mooie analyse, en bedankt voor de link :-)

    Kanttekening: zelfs al zou alles door de Simpsonparadox te verklaren zijn (m.a.w. vrouwen werken in “hoogleraararme” gebieden, mannen in “hoogleraarrijke” gebieden), kan er nog steeds sprake zijn van een glazen plafond: ergens (bijv. in het Kabinet, 2/3e man) zijn “strategische keuzes” gemaakt om de “mannelijke wetenschappen” belangrijker te vinden (en dus beter te financiëren, en dus meer hoogleraren). Het zou zomaar kunnen dat die keuzes, bewust of onbewust, beïnvloed zijn door niet-inhoudelijke gender-argumenten.

    • Thijs Bol
      Thijs Bol

      Dank Casper! Helemaal mee eens, dat schrijf ik ook in de conclusie: “Bovendien is het natuurlijk zeer de vraag waarom sommige gebieden meer hoogleraren hebben, het is zeker plausibel dat wetenschapsgebieden waar meer vrouwen werken minder status hebben en dus minder financiering ontvangen voor hoogleraren.”

  2. Casper Albers

    Mooie analyse, en bedankt voor de link :-)

    Kanttekening: zelfs al zou alles door de Simpsonparadox te verklaren zijn (m.a.w. vrouwen werken in “hoogleraararme” gebieden, mannen in “hoogleraarrijke” gebieden), kan er nog steeds sprake zijn van een glazen plafond: ergens (bijv. in het Kabinet, 2/3e man) zijn “strategische keuzes” gemaakt om de “mannelijke wetenschappen” belangrijker te vinden (en dus beter te financiëren, en dus meer hoogleraren). Het zou zomaar kunnen dat die keuzes, bewust of onbewust, beïnvloed zijn door niet-inhoudelijke gender-argumenten.

  3. Niels Spierings
    Niels Spierings

    Mooie analyse, Thijs! Het werp wel nieuwe vragen op zoals Casper ook ook indirect opwerpt. Voor mij is een belangrijke vraag in hoeverre de gelijkere verdeling onder jongere UHDs etc. voor een deel door culturele en aanbodsveranderingen wordt veroorzaakt en in welke mate dit ook een effect kan zijn van expliciet beleid en de politieke strijd geleverd door de vrouwenbeweging (breed gedefinieerd). Te vaak wordt naar mijn smaak een dergelijke opwaartse trends als bewijs van een natuurlijk verloop gezien – dit claim jij niet in de tekst btw – maar de oorzaken ervaren kunnen op zijn minst meervoudig zijn. In die zin is het wellicht ook interessant om te kijken naar verschillen tussen universiteiten en hun emancipatiebeleid.

    • Thijs Bol
      Thijs Bol

      Helemaal eens. Ik ga daar te weinig op in als het om aanbod gaat, maar het is inderdaad waarschijnlijk dat veranderingen in aanbod een mix zijn van natuurlijk verloop en de doelbewuste uitkomst van actie (ook breed gedefinieerd). Een toevoeging door te kijken naar universiteiten en hun beleid is trouwens mogelijk–in de data die ik gebruikt heb wordt er een opsplitsing gemaakt naar universiteit.

  4. Bart

    Mooi stuk!
    Het kan natuurlijk zijn dat er al enkele decennia geleden wetenschapsgebieden waren die hoogleraarrijk of hoogleraararm waren. Toen er dus in alle wetenschapsgebieden nauwelijks vrouwelijke hoogleraren waren. Pas wanneer je die ontwikkeling in kaart hebt gebracht kun je vast stellen of wetenschapsgebieden met veel mannen meer financiering ontvingen en nog steeds ontvangen.

  5. Josse de Voogd

    Goed stuk! Goede verklaringen waarom de verschillen zó groot zijn.
    Verder: Veel vrouwen vallen af omdat werk en privé moeilijk zijn te combineren. Maar: dit geldt voor mannen ook. Als een man hier mee zit, en net zoveel voor de kinderen wil doen als deze vrouwen, dan dalen zijn kansen net zo hard. Maar er zijn genoeg mannen die er wel 100% voor kunnen en willen gaan, dus valt het niet op. Je zou vrouwen moeten vergelijken met de groep mannen die die zorg wel op zich willen nemen, dan zal de uitkomst veel dichterbij elkaar liggen. Ik sluit niet uit dat die zorgzame mannen zelfs slechter af zijn dan vrouwen, want van hem wordt het niet verwacht.
    Voor sommige vrouwen is het dan wel weer vervelend dat gedacht wordt: die wil kinderen/die wil bij haar kinderen zijn, dus die kiezen we niet, terwijl dat voor haar niet geldt. En als ze inderdaad niet zoveel bij haar kinderen wil zijn wordt ze weer een bitch gevonden.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)