Eén parlement, achtenwintig verkiezingen

No Comment

Met de verkiezingen voor het Europees parlement voor de deur, vragen veel kiezers zich momenteel waarschijnlijk af wie ze gaan kiezen. Maar voor het Europees Parlement is de vraag hoe ze stemmen, beter gezegd: hoe hun keuzes worden vertaald in zetels, bijna even interessant. Elk land heeft daarvoor net weer even andere regels. En dat kan gevolgen hebben voor de campagne en de uitslag.

 

Stelsels

Infographic kiesstelsels Europese verkiezingen
(http://www.europarl.europa.eu/eplibrary/InfoGraphic-2014-European-elections-national-rules.pdf)

Ruwweg zijn er drie stelsels in gebruik: gesloten lijsten, open lijsten en enkelvoudig overdraagbare stem. Bij een gesloten lijst, zoals in Duitsland, kun je alleen maar op een partij stemmen: je hebt als kiezer geen enkele invloed op de volgorde waarin de kandidaten worden verkozen. Bij een open lijst, zoals in Nederland, stem je ook op een voorkeurskandidaat. Nu verschilt het per land hoe zwaar die voorkeursstemmen doorwegen (in Nederland niet zo sterk), maar in potentie kunnen kiezers de lijst helemaal omgooien. Het derde systeem, de enkelvoudig overdraagbare stem, wordt alleen in (Noord-)Ierland en Malta gebruikt.

Naast het systeem, heeft vooral het aantal districten invloed op het resultaat: hoe kleiner de districtsgrootte, hoe minder proportioneel het resultaat. In een aantal lidstaten werkt men met districten, bijvoorbeeld in Groot-Britannië en Frankrijk. Het aantal districten mag echter niet zo klein dat de proportionaliteit echt in het gedrang komt; met een districtsgrootte van één krijg je immers het first-past-the-post systeem zoals ze dat in Engeland bij nationale verkiezingen gebruiken. Dat meer proportionele systeem bij de Europese verkiezingen betekent dat kleinere partijen, zoals de Groenen (en in het verleden UKIP, dat nu tot de grootsten behoort in Europa), meer kans maken op een zetel.

 

Drempels

Kiesdrempels bij de Europese verkiezingen
(http://www.europarl.europa.eu/eplibrary/InfoGraphic-2014-European-elections-national-rules.pdf)

 

De helft van de landen hanteert een kiesdrempel van maximaal 5 procent. De laagste drempel bestaat in Cyprus (1,8%), maar die maakt in de praktijk niet zo heel veel uit omdat je daar sowieso 16,6% moet winnen om één van de zes (volle) zetels te behalen. Duitsland kende ook een kiesdrempel, maar die is door het grondwettelijk hof onderuit gehaald. Volgens het hof was een drempel voor het Europees parlement ongrondwettelijk omdat daar geen regering gevormd hoeft te worden (zoals landelijk wel het geval is) en fragmentatie in het parlement daardoor minder een probleem hoeft te zijn. Dit opent de weg voor kleinere partijen, die eerder nog moesten vrezen voor de 5% (later 3%) drempel.

Het systeem met de enkelvoudige overdraagbare stem zoals dat wordt gebruikt in Ierland (zowel de Republiek als Noord-Ierland) en Malta is de vreemde eend in de bijt. In Ierland heeft men kleine districten van 3 of 4 EP-leden. Als kiezer stem je niet op één kandidaat, maar kun je een voorkeursvolgorde aangeven. Je kunt dus alle kandidaten ordenen. Heb je een voorkeur voor een zeer marginale kandidaat, dan zet je die op 1; mocht deze kandidaat als eerste afvallen vanwege een laag aantal stemmen, dan kijkt men naar je tweede voorkeur, enzovoorts.

Door dit systeem hebben kleinere partijen dus meer kans; een strategische stem heeft minder zin. Als een kandidaat méér stemmen behaalt dan zij nodig heeft voor haar zetel, dan wordt het teveel aan stemmen ook herverdeeld. Zo kan een populaire politicus van Fine Gael zijn ‘extra’ stemmen doorgeven aan een minder populaire ‘running mate’. Mede door dit systeem krijgen de verkiezingen een meer gepersonaliseerd karakter. In het centrum van Dublin hangen zo’n beetje alle lantaarnpalen met tot wel drie of vier posters vol. Op elk daarvan de foto met de kandidaat met het verzoek: zet mij op 1.

Maakt het systeem wat uit voor de mate waarin campagne wordt gevoerd? Volgens Laura Sudulich zou je dat wel denken, maar vallen de verschillen -als we naar campagne-uitgaven kijken- wel mee:

These differences in the ballot structure would suggest differential effects on individual candidates’ campaign activities and electoral outputs. However, our empirical analysis shows that campaign expenditure is positively related to electoral success under both party-based and candidate-based systems. Whatever the electoral system, campaign efforts on the part of individual candidates matter in winning votes.

 

About the author

Tom Louwerse
Tom Louwerse is universitair docent politicologie aan de Universiteit Leiden. Zijn onderzoek richt zich op politieke representatie, parlementair gedrag, verkiezingen, peilingen en stemhulpen.

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)