Etnische diversiteit is niet de boosdoener van het wijkenbeleid

2 Comments

Zijn etnisch gemengde wijken – zoals de Haagse Schilderswijk, en de Zweedse buitenwijken – schadelijk voor de sociale samenhang? Een invloedrijke Amerikaanse socioloog beweerde van wel. Na tientallen andere studies blijkt dat, zeker in West-Europa, eigenlijk maar heel marginaal. Niet etnisch gemengde wijken zijn het probleem, maar verpaupering en inkomensongelijkheid.

Het wijkenbeleid staat flink in het nieuws na recent opgedoken etnische spanningen. Trouw meldde het bestaan van een jihad-driehoek in de Haagse Schilderswijk, wat onder meer leidde tot een werkbezoek door PVV-leider Geert Wilders, hermetisch omringd door het journaille. Ondertussen stonden in Zweden ‘multiculturele‘ buitenwijken in brand; rellen ontstonden nadat een politieagent een 69-jarige man (die had gedreigd met een mes) had doodgeschoten.

 

Het failliet van de multiculturele samenleving?

Politiek sociologen hebben zich de afgelopen jaren als een stel lemmingen gestort op de mogelijke gevolgen van etnisch gemengde wijken op de sociale samenhang. Die wetenschappelijke aandacht was vooral in reactie op een spraakmakend artikel van de Amerikaan Robert Putnam. Hij stelde dat in een etnisch diverse samenleving burgers zich ‘als schildpadden in hun schulp’ terugtrekken uit het publieke leven. Het vertrouwen in de medemens, het verrichten van vrijwilligerswerk, het aangaan van sociale contacten: het zou allemaal ondermijnd worden door etnische diversiteit. Diversiteit zou niet alleen schadelijk zijn voor de banden tussen verschillende etnische groepen, maar zelfs voor de banden met de eigen etnische groep.

Sterker nog, Putnam trok in de nationale media nog verdergaande conclusies dan hij in zijn onderzoeksverslag kon waarmaken. In o.a. de NRC schreef hij: “etnische diversiteit is de factor die het meest wordt geassocieerd met sociaal isolement.” In zijn onderzoek was het hoogstens de tiende factor.

Maar toch. Als de stelling van Putnam, heeft dat enorme beleidsimplicaties. Het zou in zekere zin het failliet van de multiculturele samenleving betekenen. Putnam’s beweringen werden dan ook uitermate serieus genomen door beleidsmakers. In Nederland haalde het onderzoek onder kabinet-Balkenende IV de Miljoenennota als onderdeel van het ‘krachtwijkenbeleid’. Ondertussen sprak de toenmalige SER-voorzitter Rinnooy Kan in Zomergasten over ‘de ziekte van Putnam’.

 

Maar waar is het bewijs?

Hoewel de bewijsvoering in het artikel van Putnam vol gaten zit, en zelfs een theorie waarom diversiteit zo schadelijk zou werken ontbreekt, hebben politicologen, sociologen, economen, criminologen en andere sociaal-wetenschappers de claim van Putnam massaal ter hand genomen en getoetst. In een tijdspanne van slechts 6 jaar zijn zeker 120 nieuwe artikelen gepubliceerd of publiekelijk gepresenteerd die de stelling aan een empirische toets onderwerpen.

Inmiddels werken we aan de eerste (meta-)studies. De resultaten zijn tamelijk ontnuchterend. In Nederlandse onderzoeken, bijvoorbeeld, blijkt diversiteit de sociale samenhang nauwelijks te schaden, zo concludeerden Merove Gijsberts (SCP), Jaco Dagevos (SCP) en ikzelf enkele jaren geleden al. Diversiteit heeft geen invloed op de meeste aspecten van sociale cohesie die er maatschappelijk toe doen: vertrouwen in de medemens, vrijwilligerswerk, informele hulp. Vertrouwen in andere etnische groepen is zelfs hoger in gemengde wijken (hoewel dat goed door zelfselectie als ‘white flight’ kan komen). Het enige dat wel ondermijnd lijkt te worden door het leven in een gemengde wijk, is het vertrouwen in je wijkgenoten. Maar dat effect werkt geenszins door op algemeen vertrouwen.

 

Niet diversiteit maar verpaupering en ongelijkheid zijn de bron van sociaal isolement en wantrouwen

Diversiteit lijkt dus niet de boosdoener. Wat dan wel toe? Waar zouden beleidsmakers dan wel in moeten investeren? Opleidingsniveau, niet de diversiteit van de leefomgeving, is de sterkste verklaring van verschillen in sociale cohesie (vertrouwen, participatie). Maar als beleidsmakers dan toch liever in wijken investeren, pak dan verpaupering van en inkomensongelijkheid in de buurt aan. Zeker in West-Europa blijkt dat een belangrijkere oorzaak van wantrouwen en isolement.

About the author

Tom van der Meer
Tom van der Meer (1980) is Hoogleraar Politicologie, in het bijzonder Legitimiteit, Ongelijkheid en Burgerschap, aan de Universiteit van Amsterdam. Eerder werkte hij bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is sinds 2015 co-Directeur van het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) en Lokaal Kiezersonderzoek (LKO). Hij doet voornamelijk onderzoek naar Politiek vertrouwen, Kiesgedrag (electorale volatiliteit), Politieke socialisatie, en Sociaal kapitaal (burgerparticipatie, etnische diversiteit).

Related Articles

2 Comments

  1. Jaap Dronkers
    Jaap Dronkers

    Uit Dronkers, J. & B. Lancee, 2009. “Aandacht voor de Putnam-hypothese is in het geheel niet overdreven.” Migrantenstudies 25:155-162. (http://apps.eui.eu/Personal/Dronkers/articles/migrantenstudie2009.pdf)
    Het belang van buurtkenmerken in vergelijking met individuele factoren
    “In elke analyse die gaat over het belang van de context (scholen, buurten, regio’s, landen) dient men allereerst rekening te houden met de individuele kenmerken van de mensen die binnen deze contexten wonen. Dat is vooral van belang omdat mensen met verschillende kenmerken meestal niet toevallig over die contexten zijn verspreid. Meestal hangen bepaalde individuele eigenschappen samen met de context: mensen met een laag inkomen wonen bijvoorbeeld vaker in wijken met huizen met lage huren en dus in huizen van mindere kwaliteit. Bij de vaststelling van het effect van de kwaliteit van huizen in een buurt op de gezondheid van buurtbewoners moet men eerst rekening houden met het individuele inkomen, anders loopt men het gevaar het effect van de kwaliteit van huizen te overschatten (een klassiek probleem in de sociologie). Dit rekening houden met individuele kenmerken is tegenwoordig de standaard geworden in de empirische sociologie bij het vaststellen van het belang van contexten. In dit soort multilevelanalyses (waarbij men dus zowel rekening houdt met de individuele als met de buurtkenmerken) is het heel normaal dat individuele kenmerken een grotere voorspellingskracht hebben dan die van de context. Zo vermelden Scheerens & Bosker (1997: 77) in hun standaardwerk over schooleffectiviteit dat scholen ongeveer 8% van de onderwijsresultaten van leerlingen verklaren, als rekening wordt gehouden met individuele verschillen tussen leerlingen. Levels, Dronkers & Kraaykamp (2006) vonden dat maar 10 % van de onderwijsprestaties van 15-jarige migrantenleerlingen verklaard wordt door hun land van bestemming. Eenieder die geregeld multilevelanalyse doet, is vertrouwd met dit verschijnsel: individuele kenmerken verklaren meer dan kenmerken van de maatschappelijke context. Ook het SCP moet dit bekend zijn, want men past daar geregeld multilevelanalyses toe, ook in het Sociaal en Cultureel Rapport 2008. Dit belang van individuele kenmerken verbaast hoogstens een politicus of partij-ideoloog, die meent dat individuen gedomineerd worden door hun context. Toch benadrukken Gijsberts, van der Meer en Dagevos in hun hoofdstuk in het Sociaal en Cultureel Rapport 2008, in hun Volkskrant-artikel van 21 Februari 2009 en in hun repliek dat de kenmerken van de individuele bewoners veel belangrijker zijn dan de samenstelling van de buurt. Buurteffecten zouden allemaal herleidbaar zijn tot de kenmerken van de mensen die er wonen.
    Fieldhouse & Cutts (2008), Letki (2008), Lancee & Dronkers (2008), en Tolsma et. al (2008) passen allemaal multilevel-analyse toe en vinden allemaal dat individuele kenmerken belangrijker zijn de buurtkenmerken. Geen van deze auteurs vindt dat een reden hun onderzoeksresultaten als onbelangrijk terzijde te schuiven. Dat doet het SCP normaal ook niet. In de andere hoofdstukken van het Sociaal en Cultureel Rapport 2008 worden ook effecten van context gerapporteerd, die nauwelijks groter zijn dan die van het buurtkenmerk etnische diversiteit, zeker in vergelijking met de individuele kenmerken. Gijsberts & Dagevos (2007) doen dat zelf ook niet in hun analyse van het belang van etnische concentratie op de mate van integratie. Zij vonden dat dit buurtkenmerk maar maximaal 5% van de variantie in integratie verklaard en dat de overige 95% individuele verschillen waren. Toch schrijven zij dat de resultaten van hun artikel de relevantie van etnische concentratie voor de sociaal-culturele integratie onderstrepen. Het lijkt er dus op dat Gijsberts, van der Meer & Dagevos alleen het belang van de individuele kenmerken benadrukken als het om etnische diversiteit gaat, maar niet als het om geaccepteerde contextuele effecten als etnische concentratie gaat.
    Het zou jammer zijn, als het SCP zich in de toekomst zou beperken tot de kenmerken die het meeste invloed hebben op individueel gedrag, attitudes, etc. Het zou betekenen dat het SCP zichzelf overbodig maakt: de sociale en culturele context heeft bijna altijd een veel kleiner effect op individuen dan de kenmerken van die individuen. De meeste beleidsinstrumenten kunnen immers alleen de context waarin binnen individuen zich bewegen veranderen (door hindernissen op te werpen of mogelijkheden te scheppen), en zo hun gedrag beïnvloeden. Rechtstreeks individuele kenmerken veranderen (het onderwijsniveau verhogen; het ouderlijk milieu veranderen) kan geen enkele overheid (Dronkers, 2007). Democratische overheden moeten het stellen met een beleidsinstrumentarium van beperkte reikwijdte. Het goed vaststellen van contextkenmerken door wetenschappelijk onderzoek kan behulpzaam zijn bij een goede beleidsontwikkeling. Het is dus onjuist dat het SCP bij etnische diversiteit hoog opgeeft van het belang van individuele kenmerken teneinde het kleinere effect van etnische diversiteit weg te relativeren, terwijl het SCP dat belang van individuele kenmerken bij etnische concentratie ternauwernood vermeldt. Het is in ieder geval geen reden om ons te verwijten dat wij niet terughoudend zijn geweest.”

  2. Jaap Dronkers
    Jaap Dronkers

    Uit Dronkers, J. & B. Lancee, 2009. “Aandacht voor de Putnam-hypothese is in het geheel niet overdreven.” Migrantenstudies 25:155-162. (http://apps.eui.eu/Personal/Dronkers/articles/migrantenstudie2009.pdf)
    Het belang van buurtkenmerken in vergelijking met individuele factoren
    “In elke analyse die gaat over het belang van de context (scholen, buurten, regio’s, landen) dient men allereerst rekening te houden met de individuele kenmerken van de mensen die binnen deze contexten wonen. Dat is vooral van belang omdat mensen met verschillende kenmerken meestal niet toevallig over die contexten zijn verspreid. Meestal hangen bepaalde individuele eigenschappen samen met de context: mensen met een laag inkomen wonen bijvoorbeeld vaker in wijken met huizen met lage huren en dus in huizen van mindere kwaliteit. Bij de vaststelling van het effect van de kwaliteit van huizen in een buurt op de gezondheid van buurtbewoners moet men eerst rekening houden met het individuele inkomen, anders loopt men het gevaar het effect van de kwaliteit van huizen te overschatten (een klassiek probleem in de sociologie). Dit rekening houden met individuele kenmerken is tegenwoordig de standaard geworden in de empirische sociologie bij het vaststellen van het belang van contexten. In dit soort multilevelanalyses (waarbij men dus zowel rekening houdt met de individuele als met de buurtkenmerken) is het heel normaal dat individuele kenmerken een grotere voorspellingskracht hebben dan die van de context. Zo vermelden Scheerens & Bosker (1997: 77) in hun standaardwerk over schooleffectiviteit dat scholen ongeveer 8% van de onderwijsresultaten van leerlingen verklaren, als rekening wordt gehouden met individuele verschillen tussen leerlingen. Levels, Dronkers & Kraaykamp (2006) vonden dat maar 10 % van de onderwijsprestaties van 15-jarige migrantenleerlingen verklaard wordt door hun land van bestemming. Eenieder die geregeld multilevelanalyse doet, is vertrouwd met dit verschijnsel: individuele kenmerken verklaren meer dan kenmerken van de maatschappelijke context. Ook het SCP moet dit bekend zijn, want men past daar geregeld multilevelanalyses toe, ook in het Sociaal en Cultureel Rapport 2008. Dit belang van individuele kenmerken verbaast hoogstens een politicus of partij-ideoloog, die meent dat individuen gedomineerd worden door hun context. Toch benadrukken Gijsberts, van der Meer en Dagevos in hun hoofdstuk in het Sociaal en Cultureel Rapport 2008, in hun Volkskrant-artikel van 21 Februari 2009 en in hun repliek dat de kenmerken van de individuele bewoners veel belangrijker zijn dan de samenstelling van de buurt. Buurteffecten zouden allemaal herleidbaar zijn tot de kenmerken van de mensen die er wonen.
    Fieldhouse & Cutts (2008), Letki (2008), Lancee & Dronkers (2008), en Tolsma et. al (2008) passen allemaal multilevel-analyse toe en vinden allemaal dat individuele kenmerken belangrijker zijn de buurtkenmerken. Geen van deze auteurs vindt dat een reden hun onderzoeksresultaten als onbelangrijk terzijde te schuiven. Dat doet het SCP normaal ook niet. In de andere hoofdstukken van het Sociaal en Cultureel Rapport 2008 worden ook effecten van context gerapporteerd, die nauwelijks groter zijn dan die van het buurtkenmerk etnische diversiteit, zeker in vergelijking met de individuele kenmerken. Gijsberts & Dagevos (2007) doen dat zelf ook niet in hun analyse van het belang van etnische concentratie op de mate van integratie. Zij vonden dat dit buurtkenmerk maar maximaal 5% van de variantie in integratie verklaard en dat de overige 95% individuele verschillen waren. Toch schrijven zij dat de resultaten van hun artikel de relevantie van etnische concentratie voor de sociaal-culturele integratie onderstrepen. Het lijkt er dus op dat Gijsberts, van der Meer & Dagevos alleen het belang van de individuele kenmerken benadrukken als het om etnische diversiteit gaat, maar niet als het om geaccepteerde contextuele effecten als etnische concentratie gaat.
    Het zou jammer zijn, als het SCP zich in de toekomst zou beperken tot de kenmerken die het meeste invloed hebben op individueel gedrag, attitudes, etc. Het zou betekenen dat het SCP zichzelf overbodig maakt: de sociale en culturele context heeft bijna altijd een veel kleiner effect op individuen dan de kenmerken van die individuen. De meeste beleidsinstrumenten kunnen immers alleen de context waarin binnen individuen zich bewegen veranderen (door hindernissen op te werpen of mogelijkheden te scheppen), en zo hun gedrag beïnvloeden. Rechtstreeks individuele kenmerken veranderen (het onderwijsniveau verhogen; het ouderlijk milieu veranderen) kan geen enkele overheid (Dronkers, 2007). Democratische overheden moeten het stellen met een beleidsinstrumentarium van beperkte reikwijdte. Het goed vaststellen van contextkenmerken door wetenschappelijk onderzoek kan behulpzaam zijn bij een goede beleidsontwikkeling. Het is dus onjuist dat het SCP bij etnische diversiteit hoog opgeeft van het belang van individuele kenmerken teneinde het kleinere effect van etnische diversiteit weg te relativeren, terwijl het SCP dat belang van individuele kenmerken bij etnische concentratie ternauwernood vermeldt. Het is in ieder geval geen reden om ons te verwijten dat wij niet terughoudend zijn geweest.”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)