Ewald Engelen over het zelfcorrigerende karakter van de Nederlandse democratie

No Comment

Over twee weken begint het academisch jaar weer (welkom, eerstejaars!) dus werd het de hoogste tijd om mijn bureau op te ruimen. Net als in voorgaande jaren had ik me voorgenomen zo weinig mogelijk artikelen, papers, rapporten etc. uit te printen, maar tevergeefs. Een silver lining bij dit alles is wel dat je bij het opruimen van die metershoge stapels her en der een mooi stuk tegenkomt dat je alweer was vergeten.

Op 17 januari 2011 nam ik deel aan een debat over het invloedrijke boek Diplomademocratie: Over de spanning tussen meritocratie en democratie van Mark Bovens en Anchrit Wille, georganiseerd door het tijdschrift Beleid en Maatschappij. Ik heb eerlijk gezegd inmiddels een haat-liefde relatie met dat boek. Enerzijds bewonder ik de manier waarop Bovens en Wille een belangrijk maatschappelijk probleem agenderen en een complex onderwerp toegankelijk maken voor een breed publiek. Anderzijds vind ik de empirische onderbouwing van een aantal belangrijke claims onbevredigend (gated).

Bij het opruimen van mijn bureau viel mijn oog op de beknopte inleiding van B en M redacteur en UvA-collega Ewald Engelen. Ewald schrijft in zijn inleiding op het dossier namelijk het volgende (p. 78):

“Sinds de opkomst van de PVV van Geert Wilders, wier programma, ethos en stijl van presentatie uitdrukkelijk als anti-elitair zijn bedoeld – weg met de ‘doctorandussen met de designer brilletjes’, waarvan er, het moet gezegd, in Den Haag wel erg veel rondlopen – lijkt de klacht van onderrepresentatie van de politieke kwesties van lager opgeleiden geen opgeld meer te doen. Integendeel, debatten in het parlement en de berichtgeving erover in kranten, weekbladen en op internet, radio en televisie lijken, als je er door je oogharen naar kijkt, wel volledig gedomineerd te worden door criminaliteit en integratie en dan nog het liefst in onderlinge samenhang. Oftewel, de receptiviteit van het Nederlandse democratische bestel voor veranderende electorale preferenties onder een deel van de kiezers vertaalt zich – zij het met enige vertraging – vrij getrouw door in een herschikking van het parlementaire landschap. En daarmee lijkt de belangrijkste kwestie die Diplomademocratie aan de orde stelt, eigenlijk geadresseerd te zijn.”

Ik ben het volkomen eens dat het boek wat betreft de ondervertegenwoordiging van de voorkeuren van lager opgeleiden beter past in de nadagen van Paars II dan in 2010. Sinds de electorale successen van eerst de LPF en vervolgens de PVV – en niet te vergeten hun regeringsdeelname/gedoogsteun ­– kan niemand meer met droge ogen beweren dat immigratie en integratie ondergeschoven zorgenkindjes zijn. Daarbij ga ik nog voorbij aan het feit dat bestaande partijen hun immigratie-standpunten hebben aangepast in de richting van hun rechtspopulistische uitdagers, zoals bijvoorbeeld dit onderzoek (gated) van Joost van Spanje aantoont. De Nederlandse parlementaire democratie is dus qua ondervertegenwoordiging van bepaalde delen van het electoraat in grote mate zelfcorrigerend, ook al kan die zelfcorrectie soms wat traag zijn…

Maar wat me toch vooral opviel toen ik Ewald’s inleiding teruglas is dat hij met geen woord rept over dat andere beleidsterrein waar de PVV zich vol overgave op heeft gestort: Europese eenwording. Houdingen over Europese eenwording vormen sinds jaar en dag één van de belangrijkste politieke verschillen tussen opleidingsgroepen en zelf behoort Ewald inmiddels tot de meest vooraanstaande publieke intellectuelen in het eurosceptische kamp. Waarom loopt dat zelfcorrigerende parlementaire mechanisme spaak juist op dit beleidsterrein, terwijl het voor andere onderwerpen schijnbaar wel adequaat functioneert?

Een referendum kan wellicht als breekijzer dienen, maar het Burgerforum EU heeft ‘maar’ 20 procent van de benodigde 300.000 handtekeningen om een (raadgevend) referendum over de EU af te dwingen. En ook al zouden de middenpartijen de euroscepsis van de flanken enigszins overnemen (zoals dus eerder qua standpunten over immigratie en integratie), dan nog is Nederland slechts een cameo gegund in het Europese beleidsvormingsproces. Of heeft het misschien te maken met het feit dat diezelfde middenpartijen groter ontzag hebben voor de financiële markten dan voor hun eigen electoraat? Ik kan slechts speculeren, maar ben erg benieuwd naar Ewald’s eigen mening waarom beleidsvorming op dit gebied uit de pas blijft lopen bij de voorkeuren van grote delen van het electoraat…

About the author

Armen Hakhverdian
Universitair hoofddocent politicologie aan de Universiteit van Amsterdam

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)