Gelijke onderwijskansen in de partijprogramma’s van 2017: lippendienst of meer?

1 Comment

Wie de onderwijsparagrafen leest van de verkiezingsprogramma’s voor de komende verkiezingen kan niet zijn ontgaan dat het rapport van de Onderwijsinspectie van vorig jaar effect heeft gehad. Gelijke kansen staan weer hoog op de politieke agenda. Brede brugklassen, de terugkeer van de studiebeurs, allemaal egalitaire standpunten die we zien bij partijen over het politieke spectrum.

 

De cynicus en de optimist  

Sommige partijen hebben hun standpunt ten aanzien van gelijke onderwijskansen drastisch aangepast vergeleken met de verkiezingen van 2012. Zo zien we een pleidooi voor de brede brugklas in de plannen van het CDA, PvdA, GroenLinks en D66, terwijl van deze partijen alleen GroenLinks daar ook in 2012 over sprak.

Een optimist ziet dit als een leereffect na de degelijke studie van de Onderwijsinspectie; we zijn met de neus op de feiten gedrukt dat de ongelijkheid in het Nederlandse stelsel toeneemt, en daar willen we wat aan doen. De Inspectie leverde daarmee informatie vergelijkbaar met de koopkrachtplaatjes van het Centraal Planbureau; door degelijke rekenexercities voor subgroepen heeft de Nederlandse politiek informatie tot zijn beschikking die geïnformeerde stellingnames bevordert (en toenemende ongelijkheden kan beteugelen).

Maar een cynicus zou zeggen dat deze standpunten een lippendienst zijn aan de publieke discussie die in 2016 woedde. Wie krijgt gelijk, de cynicus of de optimist? Dat hangt af van de vraag of men in de komende kabinetsformatie echt maatregelen gaat nemen om de kansengelijkheid te bevorderen, bijvoorbeeld met betrekking tot de bevordering van de brede brugklas? Vergt dat niet meer sturing dan partijen wensen, en dan de VO-raad accepteert?

 

Gelijke kansen en autonomie: gaat dat wel samen?

Zoals ik al eerder schreef in het NRC en het Nederlands Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, zou de politiek eerst moet onderkennen dat er een spanningsveld bestaat tussen een gelijke kansenbeleid en de grote autonomie die we in Nederland aan scholen toedichten. En ook in de verkiezingsprogramma’s van dit jaar spat dit spanningsveld van het papier.

Zo wil D66 experimenteren met een driejarige brugperiode, en wil bovendien dat er geen selectie aan de poort belemmerend werkt voor de overstap van vmbo naar havo. Maar tegelijkertijd stelt D66 dat er ‘minder regels’ moeten komen in het onderwijs, en stelt dat verantwoording vooral onderling tussen leraren, ouders en kinderen moet plaatsvinden (en niet zozeer naar de staat toe). In haar poging om een echt brede brugperiode (vmbo-havo-vwo) niet al te veel door de strot van scholen te duwen wil de PvdA dat iedere leerling een gemengd advies krijgt en dat scholen de brugklassen indelen op deze driedeling (havo/vwo, mavo/havo of vmbo). Zou dat nu echt de strategische keuzes van ouders veranderen? De brede brugklas komt er niet mee terug.

 

Strategisch gedrag van ouders en scholen

Het is opmerkelijk dat de PvdA opeens het licht ziet van gelijke kansen, terwijl de maatregelen van minister Bussemaker vooral het tegendeel lijken te hebben opgeleverd (denk aan de verlate cito-toets of de afschaffing van de basisbeurs). Voor een beleid dat kansengelijkheid in het onderwijs serieus neemt moeten politici meer inzicht hebben in het strategisch gedrag van gezinnen en scholen.

Inzicht in het gedrag van gezinnen zou doen beseffen dat het heel lastig is om gelijke kansen te bevorderen. Ouders handelen begrijpelijkerwijs strategisch om hun kinderen het beste mee te geven, en minder overheidssturing maakt deze strategieën meer effectief. Inzicht in het strategisch gedrag van scholen leert ons dat scholen de “bovenkant” van brede brugklassen niet gevuld krijgen, zodat ze hun scholen en brugklassen noodgedwongen versmallen.

 

Een lippendienst?

Gelijkheidsbevorderend onderwijsbeleid zou inhouden dat een vermindering van de sturing vanuit Den Haag deze strategische keuzes meer aan de oppervlakte brengt. Als er echt een leereffect zou zijn opgetreden vorig jaar dan zou je verwachten dat het spanningsveld tussen autonomie en gelijke kansen meer leidend zou zijn geweest in de verkiezingsprogramma’s.

 

Afbeelding: Werkplaats Kindergemeenschap Klaslokaal door Onderwijsgek (license)

About the author

Herman van de Werfhorst
Hoogleraar Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam

Related Articles

1 Comment

  1. Frits Toben

    Inderdaad, een repeterende breuk. Als de Onderwijsmaagd geen blindoek voorkrijgt, zoals Vrouwe Justitia, dan leggen ook giedwillende schoolbesturen het af tegen het strategisch gedrag van ouders.
    In Amsterdam is het overeenkomstig genoemde Lyceum, onder druk van de instroom van OSK in de categorale Gymnasia , gedwongen geweest de lager kwalificerende onderwijsvormen op te geven. De school kreeg onvoldoende leerlingen voor atheneum en gymnasium en groeide daarentegen op mavo niveau.
    Van een brede, ‘normalitaire’ middelbare school met ‘dakpan-combinatieklassen’, gericht op een opwaartse beweging van onderschatte talenten, in enkele jaren terug bij het Af van een ethnisch elitaire havo-vwo school.
    Zeker, Bussemaker had niets van de Geblindoekte Maagd die onverdeeld, gelaïciteerd openbaar onderwijs nu eenmaal nodig heeft om de strijd tegen Luzac’s en de uitbulkende bijzondere gymnasia-vormen te kunnen doorstaan.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)