Greenpeace, Jezus en de onttovering van internationale NGOs

No Comment

Hier volgt een gastbijdrage van Luc Fransen, universitair docent in de internationale betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam.

De afgelopen weken zijn internationale NGOs meermalen de gebeten hond geweest in het publieke debat. NGOs in de humanitaire hulp-sector werden ervan beschuldigd door kluitjesvoetbal en donorgerichtheid  ineffectief te werk te gaan. Toen zanger Simon (van Nick) opriep om bij te dragen aan hulporganisaties  regende het negatief commentaar op Twitter over strijkstokken en hoge salarissen. Rusland sloot Greenpeace-actievoerders op en Nederlandse columnisten sloegen het grinnikend gade. In Kenya beschuldigen politici activisten ervan door hun banden met Westerse NGOs onder een hoedje te spelen met Westerse machten.

Voor veel critici lijkt Jezus van Nazareth nog steeds het referentiepunt als ze het beleid van NGOs tegen het licht houden. Als NGOs niet altruïstisch handelen, maar hun organisatie-belang in het oog hebben, krijgen ze kritiek. Als ze te veel een deelbelang vertegenwoordigen, in plaats van universele waarden, is het niet goed. En wee je gebeente als blijkt dat NGO-medewerkers een redelijk salaris vangen. Nee, het is armoe, opofferingsgezindheid, onzelfzuchtigheid, medemenselijkheid, lijden, dat we willen zien.

 

NGOs als politieke actoren

In de kern draaien al deze vormen van kritiek om ongemak over het wezenlijk politieke karakter van NGOs, en dan met name om twee elementen daarvan. Ten eerste het spanningsveld tussen de specifieke maatschappijvisie van NGOs en claims over universele juistheid van hun agenda’s. Als Sea Shepherd haar boot tussen een walvis en een Japanse vissersboot parkeert is dat ontegenzeggelijk een actie met specifieke politieke ambitie en implicaties. Wat NGOs doen of voorstellen is niet noodzakelijk waar iedereen op zit te wachten en heeft niet een onweerspreekbare universele “goedheid” als basis.

Dat zit veel critici niet lekker. Goede doelen-acties (let op dat woord alleen al) en met subsidies strooiende donor-organisaties benadrukken namelijk die onweerspreekbare  universele “goedheid” wel vaak richting het publiek. Sea Shepherd kan haar capriolen bijvoorbeeld uithalen dankzij onder anderen de bijdragen van de Postcode Loterij. En de Postcode loterij helpt, zoals de slogan gaat.

Ten tweede zijn NGOs politieke organisaties die een eigenbelang hebben: zichzelf in stand houden en hun zaak laten prevaleren boven politieke doelen van concurrerende organisaties. NGO-medewerkers zijn dus bezig met marketing, PR, grote donoren en de concurrentie. Dat vinden veel mensen op de één of andere manier geen prettige gedachte. Het beeld van een NGO-medewerker die zich inzet bij een waterput of voedselpakketten uitdeelt in een crisisgebied klopt veel beter bij hun morele intuïtie.

 

NGOs in de politicologie

In hoeverre draagt de politicologie bij aan een realistischer beeld van NGOs als politieke organisaties? Ik denk dat er veel interessants valt te lezen in de vakbladen, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook de meest prominente publicaties over internationale NGOs sinds de jaren ’90 aanvankelijk het morele, normatieve, “onbetwistbaar goede” karakter van NGO-werkzaamheden benadrukten. In inmiddels klassieke werken zoals die van Keck en Sikkink, en Risse en collega’s, werden NGOs iets te veel als hefbomen voor internationale rechtvaardigheid neergezet en  specifieke politieke agenda’s wat veronachtzaamd.

De afgelopen jaren kantelt dit beeld en blijken NGOs in de academische literatuur steeds meer “normale” politieke organisaties. Uit werk van Clifford Bob (2012, paywall) blijkt dat ze stevig met elkaar in strijd zijn om grip te krijgen op internationale besluitvorming en flink twisten over welk normatief perspectief zou moeten prevaleren. Elizabeth Bloodgood (2012, paywall), Aseem Prakash (2010) en collega’s laten zien dat NGO-eigenbelang belangrijke besluiten over campagnes beïnvloedt. En Shannon Kindernay en collega’s (2012) analyseren hoe concurrentie om donor-geld de activiteiten van ontwikkelingsorganisaties verandert.

 

Onderzoeksagenda voor NGOs

De meest belangwekkende onderzoeksagenda voor de komende jaren draait om de politieke frictie tussen internationale NGOs en meer of mindere mate autoritair geregeerde overheden. Precies het mijnenveld dus waar Greenpeace nu in Rusland in verzeild is geraakt. In veel ontwikkelingslanden krijgen internationale NGOs in toenemende mate te maken met pogingen van regimes om hun werk neer te zetten als neo-kolonialisme, spionage, zelfs terrorisme. Dit gebeurt voornamelijk wanneer NGOs, tegen de wensen van het regime, aandacht vragen voor mensen en zaken die verzet tegen het regime oproepen. Ook hier vinden critici activiteiten onwenselijk vanwege het in potentie politieke, maatschappij-veranderende karakter ervan (zie Dupuy en collega’s 2012).

Het lijkt me in dat licht dat we de nieuwe academische mode om  NGOs als “normale” belangengroeperingen neer te zetten ook weer niet moeten gaan overdrijven. Er blijft aan het eind van de dag wel degelijk verschil tussen een Amnesty en een VNO-NCW. Mensenrechtenorganisaties, milieu-organisaties en ontwikkelingsorganisaties, met al hun deelbelangen en politieke agenda’s, blijven nog altijd instrumenten voor kwetsbare groeperingen die anders waarschijnlijk geen stem zouden hebben in de internationale politieke arena. Dus blijft het zaak beter te begrijpen welk meer of minder succesvol verbond politieke deelbelangen van internationale NGOs en de agenda’s van deze kwetsbare groeperingen kunnen  aangaan. Wie weet lukt het zo ook om te makkelijke claims over NGOs, positief of negatief van aard, te debunken.

About the author

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)