Het verenigingsleven als school van de democratie?

No Comment

Het verenigingsleven is decennialang voorgesteld als de school van de democratie. In het verenigingsleven zouden burgers de vaardigheden en de burgerschapsnormen ontwikkelen die nodig zijn om ook politiek actief te kunnen worden. Inderdaad hebben verenigingsleden meer interesse in de politiek, praten ze er vaker over, en zijn ze ook actiever. Er is dus een verband. Maar dat verband is niet een oorzakelijk verband, zo concludeert een nieuwe studie (open access). Verenigingen zitten vol politiek betrokkenen maar zijn geen school voor politieke betrokkenheid.

 

Broedplaats van de democratie

Civil society is door politicologen en sociologen lange tijd op een voetstuk geplaatst. Met name begin jaren negentig kwam hernieuwde aandacht voor het verenigingsleven als de broedplaats van de democratie. Robert Putnam stelde in zijn invloedrijke boeken Making democracy work en Bowling Alone dat verenigingen functioneren als een school voor de democratie. Door zichzelf te organiseren, zouden verenigingsleden oefenen met democratische besluitvorming op kleine schaal: ze gaan om met mensen die anders zijn dan zijzelf, ze scherpen vaardigheden aan die ze vervolgens ook politiek kunnen inzetten, en raken geïnteresseerd in bredere maatschappelijke kwesties.

Dit idee greep terug op het gedachtegoed van Alexis de Tocqueville, die probeerde te verklaren waarom een democratische samenleving kon functioneren zonder de natuurlijke (gezags-)relaties van de feodale samenleving. Zijn conclusie: solidariteit en burgerschap ontstaan zodra burgers inzien dat hun eigenbelang wederkerig is en zich bewust worden dat ze afhankelijk zijn van elkaar. En dat inzicht ontstaat in verenigingen. “Sentiments and ideas renew themselves, the heart is enlarged, and the human spirit is developed only by the reciprocal action of men upon one another. (…) And this is what associations alone can do.”

 

Correlatie vs causatie

Op het eerste gezicht wordt de neo-Tocquevilliaanse benadering van verenigingen als school van de democratie bevestigd. Veel studies tonen overtuigend aan dat landen met een bloeiend verenigingsleven ook stabielere democratieën en meer politiek geëngageerde burgers hebben. Nog preciezer keken sommige studies naar de verenigingsleden zelf: die bleken inderdaad politiek actiever te zijn dan mensen die nergens lid van waren. Er is dus een duidelijke correlatie tussen maatschappelijke en politieke betrokkenheid.

Toch bestond er ook twijfel over de benadering. Want als verenigingen zo’n socialiserende werking zouden hebben, moesten het vooral actieve verenigingsleden zijn die gesocialiseerd werden: door louter het lezen van het verenigingsblaadje of het doneren van geld aan de vereniging zou je immers weinig vaardigheden kunnen opbouwen. Maar toch bleek uit onderzoek dat de politieke betrokkenheid van actieve leden (als vrijwilligers) nauwelijks verschilt van die van passieve leden (donateurs). Er zit vooral een kloof tussen leden (actief of passief) en niet-leden.

Naast de socialisatieverklaring kan de correlatie ook verklaard worden door het mechanisme van zelfselectie. Optimistische, zelfbewuste, vaardige, geïnteresseerde en zelfs wat exhibitionistische burgers zouden er eerder voor kiezen om lid te worden van een vereniging èn om politiek actief te worden. Zonder dat daarbij een oorzakelijk verband tussen verenigingsleven en politiek gezocht hoeft te worden.

Een directe toets van de twee verklaringen bleef echter uit bij gebrek aan geschikte data. Om socialisatie en selectie als verklaringen tegen elkaar uit te spelen, zijn panelgegevens nodig: een grote groep respondenten die lange tijd gevolgd worden. Door te kijken wat er gebeurt als mensen lid worden (worden ze na enige tijd politiek actiever?) en als mensen lid-af zijn (ebt de politieke activiteit langzaam weg?) is het socialisatie-mechanisme te bekijken.

 

Wat er gebeurt nadat iemand lid wordt van een vereniging…

Deze maand verscheen een artikel van Erik van Ingen (UvT) en mijzelf in Political Behavior (open access!) dat die directe toets uitvoert. In het (uitstekende!) LISS-panel hebben we gedurende vijf jaar ruim 5500 respondenten kunnen volgen. Zij rapporteerden jaarlijks onder andere of zij (actief) lid waren van een vereniging, hoe vaak ze over politiek discussieerden, hoe geïnteresseerd ze waren in de politiek, en hoe politiek actief zij waren. Zo konden we nagaan of iemand die bij aanvang van het onderzoek geen verenigingslid was (score 0) maar vervolgens langere tijd wel lid was (score 1 voor elk jaar dat hij/zij lid was) inderdaad in de loop der tijd meer betrokken raakte bij de politiek dan iemand die bij aanvang geen lid was (0) en dat ook bleef (0). Dat zou dan wijzen op een socialisatie-effect. En indien de eerste respondent (011) al bij aanvang van het onderzoek politiek betrokkener was dan de tweede respondent (000), zou dat wijzen op zelfselectie.

Het onderzoek leidde tot opmerkelijk eenduidige conclusies. Actief lidmaatschap van een vereniging leidt niet tot verdere socialisatie door die vereniging. Na aanvang van hun lidmaatschap discussiëren nieuwe leden (011) niet vaker over de politiek, raken ze niet geïnteresseerder in de politiek, krijgen ze niet meer vertrouwen in hun politieke vaardigheden, en worden ze ook niet politiek actiever. Althans, niet meer of minder dan volhardende niet-leden (000). Wel krijgen nieuwe leden een grotere groep mensen met wie zij over de politiek praten (hoewel de frequentie waarmee zij dat doen dus niet toeneemt). Verenigingen zijn dus geen school van de democratie.

Wel zien we overtuigend dat er al grote en significante verschillen bestonden in de politieke betrokkenheid van persistente niet-leden (000) en nieuwe leden (011), nog voordat de laatste groep lid was geworden van een vereniging. En ook zien we grote en significante verschillen tussen persistente leden (111) en uittreders (100), nog voordat de laatste groep besloot uit het verenigingsleven te stappen. Dat steunt het idee dat de eerdergenoemde correlatie vooral wordt bepaald door zelfselectie.

 

Van het voetstuk gestoten

Verenigingen voldoen dus niet aan het prachtige ideaal dat zij zouden fungeren als een school van de democratie. Verenigingen socialiseren hun leden niet. Althans, niet hun volwassen leden. Maar eigenlijk mag dat ook geen verbazing wekken. Het is niet waarschijnlijk dat volwassen burgers nog worden bijgestuurd door hun vereniging. Mogelijk vervullen verenigingen die socialiserende rol wel voor kinderen of voor nieuwkomers in de samenleving. Maar belangrijker nog: hoewel het verenigingsleven geen socialiserende werking heeft, speelt het als civil society wel degelijk een belangrijke democratische rol doordat het politiek betrokken, vaardige, en ondernemende burgers aantrekt.

About the author

Tom van der Meer
Tom van der Meer (1980) is Hoogleraar Politicologie, in het bijzonder Legitimiteit, Ongelijkheid en Burgerschap, aan de Universiteit van Amsterdam. Eerder werkte hij bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is sinds 2015 co-Directeur van het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) en Lokaal Kiezersonderzoek (LKO). Hij doet voornamelijk onderzoek naar Politiek vertrouwen, Kiesgedrag (electorale volatiliteit), Politieke socialisatie, en Sociaal kapitaal (burgerparticipatie, etnische diversiteit).

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)