In hoeverre mag je in naam van de democratie de democratie inperken? Daar moeten politici het eens over hebben

3 Comments

In de discussie over de vervolging van Geert Wilders lopen twee zaken door elkaar. Aan de ene kant de vraag of Wilders vervolgd en veroordeeld dient te worden op basis van de huidige wetgeving. Aan de andere kant de vraag of deze wetgeving inzake vrijheid van meningsuiting en de bescherming van kwetsbare groepen nog wel past bij de huidige samenleving. Politici houden zich terecht afzijdig als het gaat om het beantwoorden van de eerste vraag. Ze zouden zich echter veel actiever moeten bezighouden met de tweede vraag. In hoeverre mag je om de democratie te beschermen de democratie inperken? In welke mate dient een democratisch stelsel ‘weerbaar’ te zijn?

 

Vervolging van Wilders

Vorige week is bekend geworden dat Geert Wilders hoogstwaarschijnlijk vervolgd gaat worden vanwege de uitspraken die hij een half jaar geleden heeft gedaan tijdens een speech in een Haags café. Hij vroeg toen aan de aanwezige PVV-aanhangers of ze meer of minder Marokkanen wilden. Toen men massaal “minder, minder, minder” scandeerde, antwoordde Wilders: “Dan gaan we dat regelen.” Naar aanleiding van deze uitspraak werden flink wat aangiften tegen de politicus gedaan. Na allerlei deskundigen te hebben geraadpleegd heeft het Openbaar Ministerie (OM) nu, na ongeveer een half jaar, besloten om een onderzoek naar Wilders’ uitspraken in te stellen. Hij wordt er van verdacht mensen te hebben beledigd vanwege hun ras en te hebben aangezet tot haat en discriminatie. De kans op vervolging wordt groot geacht.

De belangrijkste voorstanders van vervolging zijn de ongeveer 6400 mensen die aangifte tegen Wilders hebben gedaan. Zij vinden dat hij met zijn uitspraken een grens heeft overschreden en hopen dat de rechter dat met hen eens is. De belangrijkste tegenstander is natuurlijk Geert Wilders zelf. Hij vindt het “schandelijk” dat hij niet de vrijheid heeft de problemen te benoemen waar de Nederlandse samenleving volgens hem mee te kampen heeft. Ook schrijver Leon de Winter en oud-PVV-Kamerlid Joram van Klaveren zeiden in Nieuwsuur vervolging een slecht plan te vinden. De vrijheid van meningsuiting van politici zou daarmee volgens hen teveel worden ingeperkt.

Een belangrijk probleem met de discussie tussen voor- en tegenstanders van vervolging is dat er vaak twee zaken door elkaar lopen die strikt van elkaar gescheiden dienen te blijven. Aan de ene kant de vraag of Wilders vervolgd en veroordeeld dient te worden. Aan de andere kant de vraag of onze wetgeving deugt. De eerste vraag is een vraag voor justitie en de tweede vraag is er eentje voor politici.

 

Twee vragen

Dient Wilders vervolgd en veroordeeld te worden? Dat is een lastige vraag. Heeft Wilders zich daadwerkelijk schuldig gemaakt aan het opzettelijk beledigen van een groep mensen vanwege hun ras (Artikel 137c Wetboek van Strafrecht), en heeft hij aangezet tot haat of discriminatie (Artikel 137d)? Een cruciaal begrip is hier “aanzetten tot”. Wanneer is daar precies sprake van? De context waarbinnen de uitspraken gedaan zijn is daarbij van doorslaggevend belang. Bij de vorige rechtszaak tegen Wilders werd zijn uitspraak dat de tsunami van de islamisering gestopt diende te worden door de rechter gezien als grof en denigrerend, maar zij werd niet geclassificeerd als opruiend of als aanzetten tot haat of discriminatie.

Wat de afweging uiteindelijk ook is, het is een afweging die door de rechter gemaakt dient te worden op basis van het huidige Wetboek van Strafrecht. Politici hebben daar helemaal niets mee te maken. Het is daarom goed dat de meeste politici niet gereageerd hebben op het besluit van het OM.

Maar helaas hoor je politici ook nauwelijks over de tweede vraag die de vervolging van Wilders oproept: zijn de huidige wetten op basis waarvan Wilders waarschijnlijk vervolgd gaat worden nog wel van deze tijd? En dat is een vraag waar we politici in de huidige turbulente tijd juist over zouden moeten horen (zie ook hier). De achterliggende, meer fundamentele vraag is wanneer en in hoeverre je de democratie mag inperken juist om haar te beschermen.

 

De weerbare democratie

Dit idee van de ‘weerbare democratie’ (in het Engels militant democracy) heeft zijn oorsprong in de jaren dertig en veertig uit de vorige eeuw. De Duitse filosoof en politicoloog Karl Loewenstein schreef toen dat de enige manier om de democratie tegen het fascisme te beschermen was door bepaalde grondbeginselen van de democratie overboord te zetten (zie bijvoorbeeld hier). Het klassieke liberale ideaal van de democratie dat de absolute vrijheid van meningsuiting centraal stelt was volgens Loewenstein achterhaald. Want juist dit principe kon er volgens hem toe leiden dat de democratie van binnenuit werd uitgehold en afgeschaft. En inderdaad: Joseph Goebbels zou gezegd hebben dat de beste grap van de democratie is dat democraten hun vijanden nu juist de middelen verschaffen om de democratie af te schaffen (hier, p. 16).

Inmiddels zijn de meeste mensen het erover eens dat democratieën bepaalde fundamentele vrijheden mogen inperken om zichzelf te beschermen. Er is echter maar weinig overeenstemming over hoe ver een democratie daar in mag gaan. Aan de ene kant zijn er landen die behoorlijk ver gaan. Het bekendste voorbeeld is Duitsland dat na de val van de Weimarrepubliek en de Tweede Wereldoorlog een stevig systeem van streitbare Demokratie heeft ingesteld. Ook Nederland wordt meestal geschaard onder de landen met een zeer ‘weerbaar’ systeem (zie hier). Aan de andere kant zijn er landen die heel terughoudend staan tegenover ingrijpen. Een voorbeeld is de VS. Tekenend is een interview met de Amerikaanse VN-adviseur David Kaye dat zaterdag in de Volkskrant stond. Strafrechtelijke vervolging dient volgens Kaye het allerlaatste middel te zijn en alleen in extreme situaties ingezet te worden.

 

Nieuwe spelregels?

De vraag is of de huidige ‘weerbaarheid’ van ons systeem nog past bij de veranderde samenleving. Het politieke klimaat is sinds de millenniumwisseling aanzienlijk veranderd. Zo werd in de jaren negentig Hans Janmaat van de Centrumdemocraten (CD) nog verschillende keren veroordeeld voor uitspraken die nu nog nauwelijks opzien zouden baren. Hoe het politieke klimaat sinds onder andere de opkomst van Fortuyn en 9/11 volledig is omgeslagen blijkt mooi uit deze uitzending van het tv-programma Het Zwarte Schaap waarin Janmaat te gast was (het zijn in totaal 6 losse fragmenten). Uit de discussie tussen hem, presentatrice Inge Diepman en verschillende journalisten, politici en wetenschappers, blijkt duidelijk dat men toen veel sterker dan nu vond dat de democratie beschermd moest worden tegen radicaal rechtse ‘gevaren’ als Janmaat en zijn CD.

De mate waarin de democratie ‘weerbaar’ dient te zijn staat niet vast, maar is sterk afhankelijk van de maatschappelijke omstandigheden. Zijn die omstandigheden zodanig veranderd dat we nieuwe spelregels nodig hebben? Het wordt de hoogste tijd dat politici zich eens over die vraag gaan buigen.

 

About the author

Matthijs Rooduijn
Matthijs Rooduijn is politiek socioloog en werkt als universitair docent bij de afdeling Sociologie van de Universiteit Utrecht. Hij doet onderzoek naar de oorzaken en gevolgen van de opkomst van populistische en radicale politieke partijen, kiesgedrag en publieke opinie.

Related Articles

3 Comments

  1. Herbert

    Ik ben van mening dat de scribent van dit, overigens goede stuk, twee zaken door elkaar haalt. Namelijk de vertegenwoordigende democratie en de vrijheid van meningsuiting. Als een parlementariër veroordeeld wordt wegens een strafbaar feit dan heeft dat niets te maken met de inperking van de democratie. Er zijn genoeg Kamerleden veroordeeld wegens teveel drank op achter het stuur of het gebruik van de geboortekrik. En bij de lagere overheden valt ook nog wel wat te verhapstukken.

    Werden Kamerleden die een veroordeeld zijn wegens dronken rijden beperkt in hun werkzaamheden als Kamerlid? Ik denk het niet.

    Volksvertegenwoordigers zijn onschendbaar voor wat ze zeggen in hun vergaderzaal. Terecht. Maar daar buiten?
    Ik wil daar wel een kanttekening bij plaatsen.
    Waarom zou ik als eerbaar burger wel vervolgd mogen worden bij het overtreden van art 137 c en -d WvS en een volksvertegenwoordiger niet?
    Gelden er voor volksvertegenwoordigers andere maatstaven dan gewone burgers? En is dat niet in strijd met Art. 1 Grondwet?

    En voor dat ik verkeerd begrepen word, Wilders mag dit van mij zeggen. Het legt het gedachtegoed van zijn club bloot. De PVV is gebaseerd op racisme en buitenlandershaat en niet anders. Als Marokkanen niet islamitisch waren had hij wel een andere stok gezocht.

  2. Edwin

    Zoals de onderkoning zei, Moslims hoeven zich niet uit te laten over DE Islamitische Staat. Maar je kunt van Nederlanders niet langer verwachten dat zij niets mogen zeggen over IS. De onderkoning had het over een scheiding der geesten. Een seculier versus een islamitisch Nederland. Ook al bestaat er geen islamitisch Nederland. En daar zorgt Wilders wel voor.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)