Is de PvdA stuk? Analyse van ‘het slechtste resultaat ooit’

2 Comments

‘Het slechtste resultaat ooit’, omschreef Diederik Samsom de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart voor de PvdA. Dat was niet overdreven. Traditionele rode bolwerken zijn gevallen. Lijsttrekkers Hilhorst (Amsterdam) en Karakus (Rotterdam) stapten op. Veel eer was er voor hen ook niet meer te behalen; met name Hilhorst was nog voor de verkiezingen geslachtofferd. Zo stelde Felix Rottenberg: “De partij heeft met Hilhorst een inschattingsfout gemaakt”. Inmiddels bekvechten GeenStijl en Joop.nl of ook aan de stoelpoten van Diederik Samsom gezaagd wordt. In de peilingen is de PvdA ver weggezakt: het is met 11 tot 15 zetels kleiner dan vijf (middel)grote partijen, maar nog net wat groter dan de echte kleine partijen.

Is de PvdA stuk?

 

De grote steden

Er is veel geschreven over het verlies van de PvdA in de grote steden. Opmerkelijk genoeg was het verlies er niet eens zoveel groter dan in de rest van Nederland. Landelijk verloor de PvdA tussen 2010 en 2014 grofweg 38% van de netto-aanhang. In Amsterdam was het verlies 37%, in Rotterdam 45%, in Den Haag 42%, en in Utrecht 45%. Dat verschil is niet zo groot, ondanks de lokale beleidsfouten (de verdwenen miljoenen in Amsterdam), interne problemen (het rapport over de raadsleden in de Rotterdamse deelgemeente Feijenoord) en impopulaire maatregelen (het Spuiforum in Den Haag).

De grote steden zijn simpelweg geen rode bolwerken waar de kiezers ook tegen de trend in op de PvdA blijven stemmen. De vraag is of dat eerder überhaupt het geval is geweest. De PvdA is gewoon door een ondergrens gezakt.

 

PvdA-aanhang is structureel volatiel

De aanhang van de klassieke grote drie partijen daalt al lange tijd. Partijen zijn met het einde van de verzuiling steeds meer op jacht gegaan naar bredere groepen kiezers. Verkiezingsprogramma’s zijn in toenemende mate inwisselbaar geworden, doordat partijen massaal naar het politieke midden zijn getrokken. En dat versterkte de veranderlijkheid van kiezers: wisselde in de jaren zestig bij verkiezingen nog slechts zo’n 5% van de Kamerzetels van eigenaar, de laatste decennia ligt dat gemiddeld rond de 20%. De kiezer doet zijn democratische werk: kiezen uit een tamelijk stabiele keuzeset van twee of drie ideologisch soortgelijke partijen. Doordat partijen meer op elkaar zijn gaan lijken, is er meer keuze, juist in het politieke midden.

Dat zien we terug bij de veranderlijke successen van de PvdA.

Nederland verandert van een partijlandschap met twee-en-een-halve grote partijen naar een partijlandschap met vijf tot misschien wel zeven middelgrote partijen die elk afwisselend op de korte termijn kunnen pieken. Doordat hun aanhang niet langer vanzelfsprekend is, worden CDA, PvdA en VVD voor de geëmancipeerde kiezer gewoon één van vele middelgrote partijen. Hun aanhang is structureel volatiel, net zoals dat van D66 al sinds de oprichting is geweest.

De PvdA concurreert vooral met D66, de SP, en GroenLinks. Electorale winst en verlies hangt vooral af van de strategische wisselwerking tussen deze partijen.

 

Strategie voor winst of verlies

Korte-termijnfactoren zullen er steeds meer toe doen wanneer kiezers hun definitieve partijkeuze bepalen.

De spagaat tussen links (SP) en rechts (D66) maakt de PvdA kwetsbaar wanneer ze regeert. Het is veiliger om samen met je voornaamste electorale concurrenten te regeren, zodat je kiezers geen vluchtheuvel hebben (zoals D66 nu zo succesvol laat zien). Maar een linkse regeringscoalitie is in Nederland – anders dan een rechtse – eigenlijk onmogelijk, omdat links daar structureel te klein en te gefragmenteerd voor is. De PvdA moet dus regeren met ideologische opponenten.

Dat stelt de PvdA weliswaar in staat hun programma uit te voeren, maar heeft een electoraal prijskaartje. Dat prijskaartje is voor linkse regeringspartijen nog hoger wanneer de werkloosheid hoog is. Bij de keuze in 2012 om te gaan regeren moet het nakende electorale verlies ingecalculeerd zijn.

Naast kiezers die van partij veranderen, zijn er ook kiezers die thuisblijven. Een lage opkomst werkt in het nadeel van linkse partijen: rechtse kiezers gaan eerder stemmen. Weliswaar bleken de opkomstvoorspellingen veel te pessimistisch, maar de feitelijke opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen bleef bedroevend laag. Juist onder Nederlandse Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen bleef de opkomst (althans in Amsterdam) ver achter.

 

GR2014: Perfecte storm

De PvdA kon de veranderlijke kiezers, de linkse minderheden, en de lage en scheve opkomst lang negeren. De peilingen waren weliswaar al vaker reden tot zorg (zoals in 2007, in 2009, en in 2011), maar bij de verkiezingen viel het voor de PvdA sinds 2002 toch steeds weer mee. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 had de PvdA nog flink geprofiteerd van de oppositie tegen het meest gewantrouwde kabinet sinds tijden (Balkenende II/III) en het succes van partijleider Wouter Bos in de toenmalige peilingen (60 zetels). In 2010 viel het verlies bij de gemeenteraadsverkiezingen mee doordat de PvdA een maand ervoor het kabinet had laten klappen op Afghanistan, wat de partij weer wat kleur op de wangen had gegeven.

Vergelijk dat eens met de gemeenteraadsverkiezingen van 2014. De PvdA zat (1) prominent in de regering, (2) zonder alle serieuze electorale concurrenten, maar met de grote tegenpool VVD, (3) met de naweeën van een grote recessie en hoge werkeloosheid en (4) als medeverantwoordelijke voor grote bezuinigingen.

 

Structureel klein?

De gemeenteraadsverkiezingen hebben de PvdA met de neus op de feiten gedrukt. Hoe pijnlijk ook op de korte termijn, de PvdA moet het verlies ook niet dramatiseren. Rottenberg analyseerde afgelopen week nog in Buitenhof dat de PvdA moet accepteren dat het blijvend een kleinere partij is. Dat is te betwijfelen. Kiezers hebben zich niet structureel van de PvdA afgewend. De onstuimige groei en krimp van de PvdA in de peilingen sinds 2002 zouden ons dat toch moeten hebben geleerd.

De nieuwe realiteit is dat de PvdA is vervallen tot een van vele middelgrote partijen die elk op de korte termijn kunnen pieken of krimpen. Voor het uitblijven van een succesje op de korte termijn, kan je lijsttrekkers en partijstrategen de schuld geven. Op de lange termijn is dat niet houdbaar.

 

Een uitvoeriger analyse van de PvdA na #GR2014 van mijn hand verschijnt volgende week in Socialisme en Democratie.

About the author

Tom van der Meer
Tom van der Meer (1980) is Hoogleraar Politicologie, in het bijzonder Legitimiteit, Ongelijkheid en Burgerschap, aan de Universiteit van Amsterdam. Eerder werkte hij bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is sinds 2015 co-Directeur van het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) en Lokaal Kiezersonderzoek (LKO). Hij doet voornamelijk onderzoek naar Politiek vertrouwen, Kiesgedrag (electorale volatiliteit), Politieke socialisatie, en Sociaal kapitaal (burgerparticipatie, etnische diversiteit).

Related Articles

2 Comments

  1. Rob Visser

    Ik herken veel van deze analyse en hoop dat in de commentaren op dit stuk ook de link naar de online versie van het stuk in S&D te vinden zal zijn.

    Een kleine aanvulling. Toen ik in oktober 2009 meedeed aan een Rosa-minileergang viel me op dat er op de ‘werkvloer’ van de partij heel veel kennis en energie bestaat die door de top niet lijkt te worden gezien. Toen heb ik een paar jaar getracht daarover in gesprek te gaan met de specialisten, maar ik heb de indruk dat ze liever luisteren naar dure adviseurs met hun mooie modellen, strakke schema’s en toptarieven, dan naar de achterban.

    Ook bij het canvassen schijnt het voor te komen dat mensen te horen krijgen ‘alstublieft, een roos en ik geef uw grieven over de buurt door’. Terwijl daar niets mee gedaan wordt en die mensen ook nooit meer horen waarom dat niet kon.

  2. tjark reininga

    de PvdA heeft te maken met twee, ogenschijnlijk elkaar tegensprekende, fenomenen. enerzijds is dat een monisme waarmee de partij zich achter gesloten compromissen opstelt alsof die de eigen uitgangspunten in optima forma behelzen.
    anderzijds is dat het merkwaardige gegeven dat links, en vooral de PvdA, zowel in de regering als in de oppositie van zowel links als rechts wordt aangevallen, waarbij zowel in de politieke arena als in de media het betere vaak de vijand is van het goede. rechts is dat traditioneel veel minder het geval, hoewel de opkomst van PVV en D66 hierin wel enige verandering hebben gebracht. maar doorgaans blijft de gelijkgerichte weerstand tegen “links” manifester dan de onderlinge verschillen van methode en inhoud.
    toch is dit geen pleidooi voor een ongerichte linkse fusie; in een organisatorische eenheidsworst heeft links niets te winnen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)