Meer referenda: zit de kiezer daar eigenlijk wel op te wachten?

4 Comments

De uitslag van het Oekraïnereferendum van afgelopen week heeft allerlei vragen opgeroepen. Wat betekent het “nee” eigenlijk precies? Wie waren de niet-stemmers?  Wat gaat de regering doen met de uitslag? En wat betekent dit voor Oekraïne? Naast het debat over de uitslag van vorige week woensdag is er inmiddels ook een discussie losgebarsten over het middel referendum zelf. Werkt die opkomstdrempel van 30 procent? Zou een referendum raadgevend of bindend moeten zijn? Allemaal heel belangrijke vragen. Maar wat de laatste dagen onderbelicht is gebleven is de vraag wat kiezers eigenlijk zélf van referenda vinden. Zitten zij wel te wachten op meer directe democratie? En waarom wel of niet? Gelukkig zijn er verschillende politicologische studies die op deze vragen ingaan.

 

Opleidingsniveau en directe democratie

Volgens het laatste Nederlandse kiezersonderzoek (NKO) uit 2012 is bijna twee op de drie kiezers het met de stelling eens dat belangrijke beslissingen genomen zouden moeten worden door middel van referenda. Deze ($) studie laat zien dat burgers in veel andere Westerse democratieën daar net zo over denken. Maar waarom? In de politicologische literatuur worden twee redenen genoemd waarom mensen meer directe democratie willen. De eerste is dat mensen met betere cognitieve vaardigheden en een betere toegang tot politieke informatie geneigd zullen zijn om meer te willen participeren in de politiek, en daarom ook eerder zullen pleiten voor meer referenda. Op basis van deze theorie zou je kunnen verwachten dat hoger opgeleiden eerder voorstander zijn van meer directe democratie dan lager opgeleiden. Er zijn verschillende studies die laten zien dat dit inderdaad het geval is (zie bijvoorbeeld hier). Maar deze vlieger gaat niet altijd op.

De tweede reden waarom kiezers meer referenda willen is namelijk dat ze ontevreden zijn met het functioneren van de politiek. Burgers die vinden dat de politiek niet goed functioneert zouden eerder geneigd zijn om voor de invoering van meer directe democratie te zijn dan mensen die geen problemen ervaren met het functioneren van politieke instituties en processen. Aangezien lager opgeleiden ontevredener zijn met de politiek (zie bijvoorbeeld hier), zou je kunnen verwachten dat zij ook eerder geneigd zullen zijn om voorstander te zijn van meer directe democratie. Deze studie, uitgevoerd in Finland, laat zien dat dit inderdaad het geval is. Als we weer het NKO uit 2012 erbij halen wordt dit verhaal bevestigd: van de lager opgeleiden vindt zo’n 73 procent dat belangrijke beslissingen door middel van referenda genomen moeten worden. Onder hoogopgeleiden is dit percentage veel lager: 56%

 

Verschillende vormen van democratie

Om een nog beter beeld te krijgen van hoe burgers over de directe democratie denken zou je eigenlijk verschillende vormen van democratie tegenover elkaar moeten zetten (zie voor een overzicht van verschillende democratiemodellen bijvoorbeeld dit boek). Laten we voor nu een onderscheid maken tussen drie vormen: (1) de representatieve democratie (de vorm van democratie zoals we die nu kennen waarbij burgers politici kiezen die namens hen beslissingen nemen); (2) de directe democratie (burgers nemen zelf beslissingen door middel van bijvoorbeeld referenda; en (3) de expertisedemocratie (niet burgers of politici, maar experts nemen zo efficiënt en effectief mogelijke beslissingen).

In een recente studie ($) onderzoeken de politicologen Hilde Coffé en Ank Michels hoe Nederlandse kiezers over deze drie vormen van democratie denken, en of er verschillen zijn tussen hoger en lager opgeleiden. Hun bevindingen, die gebaseerd zijn op een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking uit 2011, laten zien dat, wanneer je mensen apart vraagt naar hun steun voor deze drie vormen van democratie, mensen met een lagere en middenopleiding enthousiaster zijn over zowel de directe als de expertisedemocratie dan hoger opgeleiden. Dit betekent echter niet dat kiezers met een lagere opleiding ook minder enthousiast zijn over de representatieve democratie; wanneer gekeken wordt naar opvattingen over de representatieve democratie zijn er nauwelijks verschillen tussen opleidingsgroepen.

Dit is anders als de verschillende vormen van democratie direct tegenover elkaar worden geplaatst: wat heeft de voorkeur als mensen moeten kiezen tussen de directe democratie versus de representatieve democratie, of de expertisedemocratie versus de representatieve democratie? Hier blijkt dat lager opgeleide kiezers de directe democratie en de expertisedemocratie verkiezen boven de representatieve democratie. Voor hoger opgeleiden geldt dit niet. Dit verschil tussen lager en hoger opgeleiden wordt vrijwel volledig verklaard door verschillen in politieke onvrede. In andere woorden: het lijkt er op dat lager opgeleiden alternatieve vormen van democratie verkiezen boven de representatieve democratie omdat ze ontevreden zijn met het functioneren van de politiek.

 

Wat wil de kiezer en waarom?

Vanwege hun onvrede met het functioneren van de politiek zijn lager opgeleiden dus eerder geneigd om alternatieve vormen van democratie te verkiezen boven het representatieve systeem. Dit betekent echter niet dat zij de representatieve democratie en masse verwerpen. Integendeel. De steun voor deze vorm van democratie is ook onder hen nog steeds erg groot. Deze bevinding heeft twee belangrijke implicaties. Ten eerste geeft het aan dat een belangrijke reden voor de roep om meer directe democratie gezocht moet worden in de onvrede met het functioneren van de politiek. Ten tweede laat het zien dat ontevreden kiezers niet alleen meer directe democratie willen, maar juist ook roepen om meer expertisedemocratie. Ze lijken, als gevolg van hun onvrede, vooral een alternatief te willen als aanvulling op de representatieve democratie. Maar wat dat alternatief nu precies zou moeten zijn is vooralsnog onduidelijk.

Alvorens blind (weer) allerlei overhaaste en ondoordachte voorstellen voor meer directe democratie in te voeren, zouden politici er goed aan doen eerst eens goed te onderzoeken waar de onvrede van veel kiezers vandaan komt. En als de conclusie luidt dat de onvrede alleen kan worden weggenomen door het representatieve systeem aan te vullen met alternatieve democratievormen, is het misschien een idee eerst eens vast te stellen op wat voor alternatieven de kiezer eigenlijk zit te wachten.

 

Afbeelding:  Patrick Down via a Flickr Creative Commons licence.

 

About the author

Matthijs Rooduijn
Matthijs Rooduijn is politiek socioloog en werkt als universitair docent bij de afdeling Sociologie van de Universiteit Utrecht. Hij doet onderzoek naar de oorzaken en gevolgen van de opkomst van populistische en radicale politieke partijen, kiesgedrag en publieke opinie.

Related Articles

4 Comments

  1. Kristof Jacobs
    Kristof Jacobs

    Leuk stuk. Wel een puntje bij volgende quote:
    “alvorens blind (weer) allerlei overhaaste en ondoordachte voorstellen voor meer directe democratie in te voeren”

    Ik verwacht eigenlijk eerder dat men zal proberen om deze referendumwet (deels) onschadelijk te maken. De vraag lijkt me eerder: zitten politici te wachten op meer referenda? De middenpartijen alvast niet…

  2. LJMB

    De vraag is of Nederland überhaupt wel een echte representatieve democratie is. Politici worden in Nederland in de eerste plaats gekozen door politieke partijen. Die bepalen immers of, en zo ja hoe hoog ze op de kandidatenlijst komen. Voor de meeste politici zijn de ‘echte verkiezingen’ slechts een formaliteit: de partijbenoeming moet alleen nog even door het volk bevestigd worden. Ik vermoed zelf dat een groot deel van de onvrede van de kiezers te herleiden is naar het feit dat kiezers (terecht) het gevoel hebben dat volksvertegenwoordigers vooral hun partij vertegenwoordigen (waar ze afhankelijk van zijn) en niet hun kiezers.

    Misschien zouden we er daarom inderdaad goed aan doen om eerst eens de representatieve democratie te verbeteren. Bijvoorbeeld dat kiezers zelf kunnen kiezen door wie ze willen worden vertegenwoordigd. Individuele kandidaatstelling dus.

  3. Marcel Hulspas

    Is dit Rood Vlees? Het smaakt meer als een puddinkje. Volgens mij verlangt een groot deel van het electoraat vooral naar een GOEDE representatieve democratie – en is het de incompetente PVV die een echte doorbraak op rechts op dit moment frustreert. Verder klinkt de term ‘expertisedemocratie’ mij antidemocratisch in de oren. Ook al menen deskundigen van alles beter te weten, en betreuren ze de domheid der massa – we hebben nu eenmaal afgesproken dat we hier een democratie prefereren, waarin het Griekse ‘demos’ zit.

  4. frank87

    Expertisedemocratie lijkt me meer een olicharchie, met een heersende klasse die voor expert doorgaat (als meer expertise de oplossing biedt, is het geen politiek probleem).
    Verder wat LJMB zegt, de representativiteit van de democratische representatie kan wel beter. De bedenkers van ons huidige systeem zouden zich waarschijnlijk rotschrikken als ze zoden kunnen zien wat het geworden is.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)