Participatiesamenleving het einde van de Nederlandse verzorgingsstaat?

No Comment

De klassieke verzorgingsstaat verandert in een participatiesamenleving, zo stelde Koning Willem-Alexander in zijn eerste Troonrede in 2013. Is dat echt zo? En wat is dat eigenlijk, een participatiesamenleving? Dat zijn twee van de vragen die Kees van Kersbergen van de Universiteit van Aarhus – ook medeauteur van deze blog – en ik in ons nieuwe boek De Verzorgingsstaat (Amsterdam University Press) beantwoorden, naast Grote Vragen zoals waarom hebben we eigenlijk een verzorgingsstaat? En waarom is het zo lastig de verzorgingsstaat te hervormen? Ons onderzoek laat zien dat het einde van de verzorgingsstaat niet in zicht is. Wel is de Nederlandse verzorgingsstaat door de opstapeling van radicale hervormingen in de afgelopen decennia van karakter veranderd.

 

Wat is een participatiesamenleving?

Toen we in 2014 samen met Margot Hermus begonnen met ons onderzoek naar hoe politieke partijen de term participatiesamenleving gebruiken, was de term nog ongedefinieerd. We hebben daarom zelf een definitie opgesteld op basis van een kwalitatieve analyse van duizend artikelen over de participatiesamenleving, verschenen tussen 2013 en 2014 in de grote Nederlandse kranten (de Volkskrant, NRC Handelsblad, NRC Next, Telegraaf, AD, Financieel Dagblad, Trouw, Parool, Nederlands Dagblad, Reformatorisch Dagblad, Metro en Spits). Een participatiesamenleving is een samenleving waarin burgers verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen leven en actief bijdragen aan de samenleving, bijvoorbeeld door informele zorg, vrijwilligerswerk en burgerinitiatieven. De overheid faciliteert dit door aan te sluiten bij burgerinitiatieven, burgers vrijheid en vertrouwen te geven en hen te activeren. Tegelijkertijd biedt de overheid ook een vangnet voor niet-zelfredzame burgers. De in december 2014 verschenen “officiële” definitie van de participatiesamenleving van minister Plaskerk en staatsecretaris van Rijn bevat deze elementen.

 

Participatiesamenleving geen nieuwe term

Hoewel de afgelopen jaren in opmars, is de term participatiesamenleving in Nederland niet nieuw. In het Sociaal en Cultureel Rapport 1974 omschrijft het Sociaal Cultureel Planbureau het ‘ideaal van de participatiesamenleving’ als ‘een samenleving waarvan de leden zoveel mogelijk in en aan allerlei onderdelen participeren’. De participatiesamenleving is ook te herkennen in de ‘verantwoordelijke samenleving’ van het CDA uit de jaren tachtig van de twintigste eeuw. In 1991 zei Wim Kok op een partijcongres van de PvdA dat de verzorgingsstaat in zijn huidige vorm niet langer houdbaar was. Het was tijd voor een derde weg: een participatiesamenleving.

Ideeën over activering, zelfstandigheid en ontvoogding vinden we tegenwoordig terug bij alle politieke partijen. Maar over hoe de participatiesamenleving er uit moet zien, verschillen de opvattingen. In een notendop vindt de VVD vrijheid en verantwoordelijkheid het grootste goed dat burgers hebben. En hierbij hoort een zo klein mogelijke overheid. De SP gelooft ook dat mensen zelf verantwoordelijkheid willen nemen en dat ze betrokken zijn bij elkaar. Maar ze hebben daar juist een sterke overheid en goede voorzieningen voor nodig. De PvdA wil aan de ene kant initiatieven van burgers ondersteunen en faciliteren en aan de andere kant goede basisvoorzieningen aanbieden. Volgens D66 moet de overheid zorgen voor minder regels, zodat burgers de ruimte krijgen om zelfredzaam te zijn en eigen voorzieningen op kunnen starten. Het CDA stelt gemeenschappen in plaats van individuen centraal.

 

Nederland niet uniek

De participatiesamenleving beschrijft overigens een ontwikkeling die niet uniek is voor Nederland. In het Verenigd Koninkrijk (VK), bijvoorbeeld, lanceerde David Cameron – de leider van de conservatieve partij en sinds 2010 de Britse premier – het idee van de Big Society (letterlijk: de grote samenleving) als tegenhanger van Big Government (grote overheid). In Scandinavië treft men zo’n groot idee als de participatiesamenleving of Big Society echter niet aan.  Ondanks het feit dat er in de publieke sector relatief meer mensen werken dan in Nederland of het VK is de deelname van burgers en vrijwilligers aan de verzorgingsstaat in de Scandinavische landen toch heel hoog. In Denemarken is bijvoorbeeld 35% van de bevolking boven de zestien jaar actief als vrijwilliger.

 

Recente hervormingen in de richting van de participatiesamenleving?

Kijkend naar de hervormingen die per 2015 of 2016 zijn ingegaan, zien we dat het grootste deel van de hervormingen de klassieke verzorgingsstaat beknot en een aantal in de richting van een participatiesamenleving gaat.

Zo is, na jaren “in de koelkast” te hebben gestaan, het ontslagrecht versoepeld. Bedrijven hoeven nu niet meer naar de rechter als ze werknemers willen ontslaan vanwege bedrijfseconomische redenen of langdurige arbeidsongeschiktheid, maar kunnen bij het UWV terecht. De Werkloosheidswet is aanzienlijk versoberd en aangescherpt. Zo wordt de maximale duur van de WW teruggebracht tot twee jaar in 2019 (nu nog 38 maanden), wat via cao’s kan worden “gerepareerd” tot drie jaar. Werknemers bouwen na de eerste 10 jaar van hun loopbaan nog maar een ½ maand WW-recht op (nu nog 1 maand). Ten slotte moeten mensen die langer dan zes maanden een WW-uitkering ontvangen elke baan aannemen, ongeacht het niveau of salaris. Ook de eisen aan bijstandsgerechtigden zijn veel strenger. Ze mogen aangeboden werk niet weigeren, moeten de baan zien te behouden en (maximaal) drie uur per dag reizen voor hun werk. Ook moeten bijstandsgerechtigden voor hun uitkering een tegenprestatie leveren (onbetaalde, maatschappelijk nuttige activiteiten). Ten slotte moeten ze de Nederlandse taal voldoende beheersen of zich inspannen om de taal te leren. Doen ze dit niet, dan wordt hun uitkering gekort. Dit soort maatregelen laat zien dat de overheid hier niet zozeer burgerinitiatieven faciliteert of burgers vrijheid en vertrouwen geeft, maar eerder een straffe politiek van activering voert.

Bij een aantal nieuwe maatregelen komt het andere aspect van de participatiesamenleving wel concreet naar voren. Zo kunnen werknemers ook zorgverlof aanvragen voor een zieke buur, vriend of huisgenoot (eerder alleen bij een levensbedreigende ziekte van kind, partner of ouder) en is het kraam- en partnerverlof uitgebreid met drie extra dagen. Maar vooralsnog lijkt de concretisering van de participatiesamenleving toch vooral een kwestie van de overheid doet minder en de burger meer. Margo Trappenburg, bijzonder hoogleraar Grondslagen van het Maatschappelijk aan de Universiteit voor Humanistiek en hoofddocent aan de Universiteit Utrecht, noemt dit het IKEA-principe; een principe waar zij zich sterk tegen verzet (zie bijvoorbeeld hier).

 

Heeft Nederland nog een verzorgingsstaat over?

Het korte antwoord op deze vraag is ja, Nederland heeft nog steeds een verzorgingsstaat. Maar, en dat is het langere antwoord, deze verzorgingsstaat is door de opstapeling van de hervormingen in de voorbije decennia is wel van karakter veranderd. Het systeem waarin sociale wetten (voorzieningen en diensten) het grootste deel van de bevolking beschermen tegen belangrijk sociale risico’s als ziekte of werkloosheid bestaat nog steeds, maar is zeer veel strenger, dwingender en soberder dan voorheen. De participatiesamenleving staat voorlopig naast de versoberde verzorgingsstaat. En leest men het recente document Memo aan de programmacommissies: Thema’s voor de volgende kabinetsperiode van de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR), dan blijkt de geest uit de fles te zijn. Hoewel de term participatiesamenleving niet gebruikt wordt, is het idee de actieve en de te activeren burger wel aanwezig.

 

Foto afkomstig van: Pixabay. CC0 Public Domain.

About the author

Barbara Vis
Hoogleraar Politieke Besluitvorming aan de afdeling Bestuurswetenschappen en Politicologie van de Vrije Universiteit Amsterdam. Lid van De Jonge Akademie van de KNAW.

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)