Politieke kennis is macht: hoe Republikeinen profiteren van electorale onwetendheid

No Comment

Het is droevig gesteld met de politieke feitenkennis van burgers. Een groot deel van het electoraat weet niet welke partijen in de regering zitten. Zo wist slechts de helft dat Balkenende IV bestond uit CDA, PvdA en de ChristenUnie. Een kwart meende dat het CDA één van de regeringspartijen in Paars I was, terwijl de uitsluiting van de christendemocraten toch juist de kern van de paarse coalities vormde. Ook feitenkennis over de Europese Unie laat veel te wensen over.

 

De gevolgen van politieke onwetendheid

De vraag is natuurlijk of dit gebrek aan feitenkennis relevante gevolgen heeft. David Fortunato en Randolph Stevenson stellen dat onwetendheid over regeringspartijen een belemmering vormt voor kiezers om politici verantwoordelijk te houden voor gevoerd beleid, maar die kenniskloof is lang niet altijd relevant voor het afstraffingsvermogen van burgers (zie deze gastbijdrage van Catherine de Vries).

Een groter probleem ontstaat wanneer politieke kennis over standpunten van partijen ontbreekt of onvolledig is. Recent onderzoek van Anthony Fowler en Michele Margolis (paywall, eerdere open versie hier) laat zien dat de Republikeinen in de VS profiteren van politieke onwetendheid onder kiezers. Als Amerikanen wél op de hoogte zouden zijn van de feitelijke standpunten van beide partijen zou dat de Democraten stemmen opleveren ten koste van de Republikeinen.

 

Twee experimenten

Fowler en Margolis voeren twee experimenten uit: één in een online panel met zelfaanmelding, de ander in een conventionele academische survey. Het eerste experiment biedt de mogelijkheid om analyses door de tijd uit te voeren, terwijl de tweede steekproef generalisatie naar de Amerikaanse bevolking mogelijk maakt.

De respondenten kregen op tijdstip 1 tal van kennisvragen, zowel over de politiek in het algemeen (‘Whose responsibility is it to nominate judges to Federal Courts? President; Congress; The Supreme Court; Not sure’) als specifieke issues (‘To the best of your knowledge, which party supports the allowance of openly gay individuals in the military? The Democratic Party, The Republican Party, Both Parties, Neither Party, Not sure’). Uiteraard bevatte de vragenlijst ook items over partijvoorkeuren.

Een aantal weken later werden de respondenten willekeurig ingedeeld in twee groepen. Beide groepen kregen een aantal lezersbrieven uit de krant te lezen, maar de experimentele groep kreeg daarnaast ook lezersbrieven voorgeschoteld met feitelijke informatie over de standpunten van partijen. Zo stond in één van de brieven dat de Republikeinen over het algemeen tegenstanders zijn van het homohuwelijk, terwijl in een andere brief werd gemeld dat de Democraten minimumloon willen verhogen. Na deze lezersbrieven kwamen exact dezelfde algemene en specifieke kennisvragen uit de eerste golf weer aan bod. Het tweede experiment volgt een soortgelijk design maar dan op één tijdstip en iets andere issues. De bevindingen zijn nagenoeg identiek.

 

Democraten profiteren

Fowler en Margolis controleren eerst of hun interventie de deelnemers wel voldoende informeert. Met andere woorden, hebben respondenten na het lezen van die inhoudelijke brieven wel meer kennis dan voorheen? Dat blijkt inderdaad het geval (zie Figuur 1 in hun artikel). Vooral respondenten die op tijdstip 1 weinig kennis hadden over de politieke standpunten van partijen hebben op tijdstip 2 een hogere kennisscore dan op tijdstip 1. Voor respondenten die op tijdstip 1 al veel specifieke kennis hadden heeft het lezen van die brieven – geheel volgens verwachting – geen toegevoegde waarde. Ook algemene kennis verandert niet na het lezen van informatie over partijstandpunten. De interventie zorgt dus inderdaad voor een toename in de politieke kennis van de experimentele groep zoals de onderzoekers vooraf hadden beoogd.

Vervolgens laten Fowler en Margolis zien dat evaluaties van de Democraten positiever zijn voor respondenten die aanvankelijk weinig politieke kennis hadden. Voor diegenen die al hoog scoorden wat betreft politieke kennis heeft de interventie geen effect (zie Figuur 3 en Tabel 2). In hun eigen woorden: “When uninformed respondents are given information, they dramatically shift toward the Democratic Party and away from the Republican Party” (p. 7). De nameting op tijdstip 3 laat zien dat de blootstelling aan informatie ook een aantal weken later nog uitwerking heeft, zij het in mindere mate.

De kracht van het gebruikte experimentele design ligt hem in de expliciete mogelijkheid om te onderzoeken wat er was gebeurd als ongeïnformeerde kiezers wél feitelijke informatie over partijstandpunten hadden gehad. Het modelleren van deze counterfactual vormt het hart van elke causale uitspraak (vraag maar aan Lilian Helder) en ligt het meest binnen handbereik met zorgvuldig uitgevoerd experimenteel onderzoek. Uiteraard laten veel onderwerpen zich niet op deze manier experimenteel ‘manipuleren’, maar dat is stof voor een andere discussie.

 

Politieke kennis is macht

Een beter geïnformeerd electoraat zou dus gunstig uitpakken voor de Democraten. Dit komt voornamelijk omdat jongeren, de lagere inkomens, vrouwen en etnische minderheden doorgaans minder politieke kennis hebben. Dat de Republikeinen toch op grote steun uit deze groepen kunnen rekenen heeft dus deels te maken met onwetendheid van diezelfde kiezers over de feitelijke standpunten van beide partijen.

Dit zijn belangrijke bevindingen. Zoals Fowler en Margolis hun artikel afsluiten (p. 10):

We live in a society with significant informational and representational inequalities. Not everyone is politically informed, and certain types of people are systematically more informed than others. The result of these knowledge disparities within the electorate is that informed voters have an easier time translating their political preferences into a vote that best represents their interests.

Politieke kennis is macht. Letterlijk. Talloze actoren in zowel de publieke als private sector, van politiek links tot rechts, hebben er belang bij wanneer bepaalde informatie wel of juist niet aankomt bij kiezers. Dit onderzoek onderstreept eens te meer de sleutelrol die nieuwsorganisaties vervullen in het vormen van machtsrelaties in onze samenleving.

About the author

Armen Hakhverdian
Universitair hoofddocent politicologie aan de Universiteit van Amsterdam

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)