Strategisch niet-stemmen bij het referendum over het verdrag met de Oekraïne kwam weinig voor

5 Comments

Bij een raadgevend referendum in Nederland is een uitslag pas geldig als 30 procent van de kiesgerechtigden gaat stemmen. Als de opkomst lager is wordt de wet gewoon ingevoerd. De herkomst van deze regel is eerder besproken op deze blog. Door deze opkomstdrempel hebben voorstanders van een wet er soms belang bij om niet oprecht vóór te stemmen, maar om strategisch thuis te blijven. Dat kan leiden tot een lastige afweging. Bij de interpretatie van de uitslag dachten sommigen dat strategisch niet-stemmen door voorstanders wellicht het percentage tegenstemmers substantieel had overschat. Zo vroeg het NRC zich de dag na het referendum af of het bij de lage opkomst ging om strategisch gedrag of om desinteresse, ikzelf opperde het als mogelijke verklaring voor de lage opkomst bij een regionale zender, en elders werd gesuggereerd dat strategisch stemmen inderdaad een belangrijke rol speelde. Maar in welke mate speelde dat strategisch niet-stemmen nu echt een rol bij het referendum over het verdrag met de Oekraïne? Was de uitslag anders geweest als er minder strategisch was gestemd? Dat blijkt niet het geval.

 

Opkomstdrempel was goed bekend

De verwachting dat de opkomst bij het referendum lager dan 30 procent zou worden, was voorafgaande aan het referendum niet uit de lucht gegrepen. Het ging immers om een abstract onderwerp dat vooral werd geassocieerd met Europa. De opkomst bij de verkiezingen voor het Europees Parlement schommelt al jaren tussen de 30 en 40%. Sommige peilingen wezen er op, dat die opkomst lager zou uitvallen, andere dat die opkomst hoger zou worden. De opkomstdrempel was daarmee een reëel onderwerp dat voorafgaande aan het referendum uitgebreid werd bediscussieerd, onder meer op deze blog maar ook in bijvoorbeeld Trouw, op de website Joop en bij de NOS. Door al deze aandacht is het niet vreemd dat de meeste kiezers volgens de enquête die vlak na het referendum werd gehouden het bestaan van die drempel kenden. Toch gaf nog steeds 17 procent van de kiezers aan de opkomstdrempel niet te kennen.[1]

Dat zoveel mensen de drempel kenden, betekent natuurlijk nog niet dat die een belangrijke rol heeft gespeeld bij de beslissing om wel of niet te gaan stemmen. Daarvoor is meer nodig.

 

2 op de 3 voorstanders kon om strategische redenen besluiten niet te stemmen

Zoals gezegd, is het alleen voor voorstanders eventueel zinvol om strategisch niet te stemmen. Dan moeten die voorstanders niet alleen op de hoogte zijn van de opkomstdrempel, maar ook een schatting kunnen maken van de opkomst. Van de voorstanders[2] kende maar liefst 95% de opkomstdrempel en verwachtte 2 op de 3 dat de opkomst onder of rond de dertig procent zou zijn. Alleen deze voorstanders voelden dus een prikkel op strategische gronden niet te stemmen (zie tabel 1).

Tabel 1: inschattingen van voorstanders over de verwachte opkomst (N = 686)

 screen-shot-2016-11-18-at-8-26-24-pm

Bron: Nationaal Referendumonderzoek (NRO) 2016

Combineren we deze gegevens met de opkomst onder voorstanders, blijkt dat van die groep voorstanders ongeveer 40 procent potentieel om strategische redenen niet heeft gestemd, dat 15 procent in ieder geval niet om strategische redenen is thuisgebleven en dat 45 procent wel heeft gestemd. Het is daarom niet vreemd te denken dat strategisch niet stemmen bij het referendum een rol speelde.

 

… maar het feitelijk aantal strategische stemmen ligt waarschijnlijk veel lager

Dat 2 op de 3 voorstanders de prikkel kon voelen om strategisch thuis te blijven, en dat een groot deel daarvan vervolgens niet heeft gestemd, betekent niet dat al die thuisblijvers dat om strategische redenen hebben gedaan. Er zijn twee aanwijzingen dat het percentage strategische niet-stemmers lager lag: de opkomst onder verschillende groepen voor- en tegenstanders en de antwoorden op open vragen.

Een eerste aanwijzing dat het aantal strategische niet-stemmers onder de voorstanders kleiner was dan de eerdergenoemde 45 procent is af te lezen uit figuur 1, hoewel die aanwijzing geen schatting geeft van het feitelijk aantal mensen dat strategisch gestemd geeft. In de figuur staat voor verschillende groepen voor- en tegenstanders het percentage mensen dat daadwerkelijk heeft gestemd. Uit de figuur blijkt dat de kennis van de opkomstdrempel en de schatting van de verwachte opkomst weliswaar een rol spelen, maar dat strategisch gedrag onder de voorstanders geen goede verklaring biedt voor de gevonden verschillen. Ook tegenstanders die verwachten dat de opkomst laag zou zijn, laten het namelijk relatief vaak afweten. Het idee dat de relatie tussen kennis en opkomst het gevolg is van strategisch gedrag biedt geen verklaring voor de geringe verschillen tussen voor- en tegenstanders, tenzij we aannemen dat voorstanders wel proberen invloed te hebben op het niet halen van de opkomstdrempel, maar tegenstanders niet het tegenovergestelde proberen. Het gevonden patroon past eerder bij een zelfrechtvaardiging voor het eigen gedrag: omdat anderen (niet) gaan stemmen, doe ik het ook (niet). Het past veel minder bij de interpretatie dat hier sprake zou zijn van strategisch gedrag.

Figuur 1: kennis van de opkomstdrempel en de verwachte opkomst in relatie tot het opkomstgedrag

opkomst

Bron: NRO 2016

 

Strategisch thuisblijven genoemd door 1 op de 10 thuisblijvers

Een tweede, meer directe aanwijzing dat het aantal strategische niet stemmers veel lager was dan die 40 procent van het aantal voorstanders is te vinden in de open vraag naar redenen om niet te gaan stemmen. Die antwoorden waren niet altijd even makkelijk te begrijpen (waarom bijvoorbeeld “corruptie in de Oekraïne” een reden is om niet te stemmen is zonder verdere toelichting althans voor mij niet duidelijk), maar we kunnen verschillende groepen redenen onderscheiden.

Uit de antwoorden blijkt dat veel voorstanders van het verdrag niet gestemd hadden, omdat ze tegen dit referendum waren. Deze reden werd door maar liefst 16 procent van de niet stemmende voorstanders gegeven. Nog eens 12 procent gaf aan tegen referenda in het algemeen te zijn. Dat blijft een merkwaardig element om niet zou gaan stemmen. Wellicht dat men bang is door te stemmen het referendum te legitimeren en door niet te stemmen op termijn af te komen van dit besluitvormingsinstrument. Het doet toch echter vooral denken aan iemand die weigert een jas aan te trekken omdat het buiten niet koud mag zijn. Het idee dat een referendum er niet is als je er niet aan meedoet, gaat alleen op als iedereen het daar mee eens is.

Voorstanders noemden verder gebrek aan kennis (12%), gebrek aan tijd (13%) en gebrek aan interesse (7%) vrij vaak. Redenen die niet zozeer duiden op strategisch gedrag als wel op de geringe prioriteit die het referendum had voor deze groep.

Strategisch niet stemmen werd door slechts 11 procent van de niet stemmende voorstanders genoemd als reden om niet te stemmen. Nadere analyse laat zien dat dit percentage met enige voorzichtigheid moet worden geïnterpreteerd. De overgrote meerderheid van deze zelf verklaarde strategische niet stemmers had verwacht dat de opkomst lager dan 30 procent zou zijn, maar enkelen geven eerlijk aan geen idee te hebben gehad of zelfs te hebben verwacht dat de opkomst hoger dan 30 procent zou zijn. In hoeverre strategie bij deze mensen dan ook echt een rol heeft gespeeld valt te bezien. Ook opvallend is dat sommige tegenstanders om strategische redenen niet hebben gestemd. Wat ze daarmee bedoelen is niet helemaal duidelijk.

Laten we aannemen dat inderdaad al de mensen die hebben gezegd om strategische redenen niet te hebben gestemd, dat inderdaad ook weloverwogen hebben gedaan. Van alle voorstanders is dat natuurlijk een lager percentage. Een grote groep voorstanders heeft namelijk gewoon gestemd. Op basis van de open vraag, ligt het voor de hand te vermoeden dat van de voorstanders 6 procent om strategische redenen niet stemde, dat 50 procent van de voorstanders om andere redenen niet stemde en dat 45 procent wel stemde. Dat wijkt uiteraard sterk af van de eerdergenoemde percentages.

 

Minder strategisch stemmen zou niet hebben uitgemaakt …

Zou het hebben uitgemaakt als deze strategische niet-stemmers hun tegenstem wel zouden hebben uitgebracht? Gezien de geringe aantallen is dat niet te verwachten. Als alle strategische niet-stemmers onder de voorstanders zouden hebben gestemd, zou het percentage voorstanders zijn gestegen van 32 naar 34,5 procent. Bovendien moeten we niet vergeten dat er onder de tegenstanders ook mensen waren die niet hebben gestemd, omdat ze vooraf niet verwachtten dat de drempel gehaald zou worden en dat hun stem dus geen zin had: waarom zou je je inspannen voor een advies dat toch niet geldig zou zijn? Dit percentage is vergelijkbaar met het aantal mensen dat zegt om strategische redenen niet te hebben gestemd. Als strategisch niet-stemmende voorstanders zouden hebben gestemd, zou dat de uitslag niet hebben veranderd, maar het opkomstpercentage hebben verhoogd.

 

meer strategisch niet-stemmen uiteraard wel

Het effect van strategisch niet stemmen op de uitslag is dus waarschijnlijk klein geweest. Strategische niet-stemmers hoeven dus achteraf geen spijt te hebben van hun keuze om thuis te blijven. Omgekeerd is het nog steeds zo dat als veel meer voorstanders zich strategisch zouden hebben gedragen, de uitslag van het referendum ongeldig zou zijn geweest. Dat is voor stemmende voorstanders nog steeds een ongemakkelijke waarheid. Te ongemakkelijk denk ik. In plaats van een eenvoudige verdediging tegen grillige adviezen van kleine groepen tegenstanders, is de opkomstdrempel een complexe aanval op het afwegingsproces van voorstanders geworden. Dit werd hier al eerder betoogd, zie blogs van Kristof Jacobs hier en hier. Zeker zolang een referendum slechts een advies oplevert, moet de opkomstdrempel worden afgeschaft.

 

[1] In het rapport over het referendum staat een iets lager percentage omdat daar alleen mensen zijn meegenomen waarvan we wisten of ze voor- of tegen het verdrag waren.

[2] ‘Voorstanders’ zijn mensen die voor het verdrag hebben gestemd, of die hebben aangegeven voor te hebben gestemd, als ze hadden moeten stemmen. Op een vergelijkbare manier is het aantal tegenstanders bepaald. Sommige respondenten die niet hadden gestemd gaven geen antwoord op de vervolgvraag, deze respondenten (ongeveer een kwart) is bij een paar vergelijkingen noodgedwongen achterwege gelaten.

 

Foto: kiezers aan het stemlokaal van Utrecht Centraal, door Sebastian ter Burg, license

About the author

Henk van der Kolk

Related Articles

5 Comments

  1. LJMB

    Afschaffen van de opkomstdrempel voor raadgevende referenda is inderdaad het beste. Als je toch een opkomstdrempel wilt hebben, dan kun je wellicht beter kiezen voor een ‘afwijzingsdrempel’ als variant op de Duitse instemmingsdrempel (‘Zustimmungsquorum’). Die afwijzingsdrempel zou dan bijv. 15% kunnen zijn (d.w.z. een kleine 2 miljoen kiesgerechtigden moeten tegenstemmen om het referendum geldig te laten zijn).

    • Kristof Jacobs
      Kristof Jacobs

      Ik ben het er ook mee eens dat die opkomstdrempel gewoon weg moet.
      Wat betreft een afwijzingsdrempel, is inderdaad beter dan de huidige, maar er kleven nog twee zeer belangrijke nadelen aan:

      (1) het maakt het voor voorstanders minder belangrijk om te gaan stemmen (als de afwijzingsdrempel niet gehaald wordt, kunnen zij hun tijd beter besteden dan te gaan stemmen), daardoor krijg je een schevere uitslag (% tegen wordt hoger) en riskeer je Hongaarse toestanden ofte drempel niet gehaald maar 98% stemt tegen.

      (2) Net zoals bij elke opkomst/afwijzingsdrempel, maakt het halen van de drempel de uitslag in hoofden van kiezers bindend. Of zoals een niet-stemmer het in het Nationaal Referendumonderzoek verwoordde: “het referendum is geldig dus moet de regering luisteren”.

      Daarom, als we dan toch de wet gaan aanpassen, doe die drempel dan helemaal weg.

  2. Frits Toben

    QUOTE
    “waarom bijvoorbeeld “corruptie in de Oekraïne” een reden is om niet te stemmen is zonder verdere toelichting althans voor mij niet duidelijk”
    END QUOTE

    In een overigens helder doordachte analyse detoneert de boven geciteerde subjectieve beoordeling van de Auteur van (1 van de mogelijke) argumenten tegen het verdrag.

    De boodschap die door de EU en de parlementaire meerderheid in Nederland werd uitgedragen, was dat de Oekraine door het verdrag juist zou worden geholpen om corruptie te bestrijden en de democratie te bevorderen.
    Een “meerderheid” van de bevolking ter plaatse, zou immers ook voor het Verdrag met de EU stemmen…
    Helaas was voor kritische volgers onduidelijk binnen welk territorium, welk deel van de Oekraine ook, die meerderheid aanwezig was. Of was het fifty-fifty, een dubbeltje op z’n kant ?
    Tot de dag van vandaag is onduidelijk met welk territoriaal Oekraïne de Unie een verdrag heeft gesloten. Een bewind dat souvereiniteit uitoefent over een deel van het land was staatsrechtelijk kennelijk voldoende voor de EU realo’s.

    “Eerst zien, dan geloven” is het (juiste ?) populistische argument tegen de omdraaiing van de logische volgorde : je doet alleen zaken als een land de boel op orde heeft. De weg naar een glorieuze Toekomst is immers steeds geplaveid met goede voornemens.

    Dat er ook tegenstanders waren juist vanwege de met het Verdrag beoogde neo-liberale “outroll”, – die dezelfde STRUCTURELE corruptie van blauwe maatpakken, buitenlandse koopjesjagers en supra-nationale ‘econocraten’ deed opduiken, als eerder in Rusland (onder Jeltsin), de ehemalige DDR, maar ook in Griekenland ( voor en na 2008) en andere perifere lidstaten was vertoond -, gaat wellicht het begrip van de Auteur te boven.
    Corruptie komt hier immers niet voor, in de ‘wetenschapelijke’ perceptie althans; de winnaars zijn immers altijd verexcuseerd omdat zij ‘vooruitgang’ en ‘vrijheid’ brengen, wat dat ook zij, welke vorm die ook aanneemt ?

    Ondertussen bleek bijna iedere partner van enig statuur die onder het nieuwe bewind naar boven kwam, eveneens lokaal in corruptie-schandalen verwikkeld te zijn, niet in de laatste plaats in relatie tot reeds overvloedig binnen stromend “europees” en IMF-geld.
    Ondertussen werd er geregeld wederzijds geweld gebruikt in het Nationale Parlement. Niet vanuit een “opvliegend volks-temperament”, of “oud zeer”, maar vanwege “nieuw en toekomstig zeer”, omdat de aanwezige parlementariërs en hun directe achterban economische en etnische machtsposities te verliezen of te winnen hadden.

    Wie de oorspronkelijke tekst van het Verdrag in handen had en de summiere aanpassingen na het oplopen van de discussie daarmee vergeleek, kon niet anders constateren dan dat de Oekraine staatkundig en staatsrechtelijk ‘gemodelleerd’ zou worden alsof het, vooreerst in economische zin, een lidstaat van de EU zou zijn geworden.
    De instituties van het land werden omgevormd om de EU-vorm van privatisering en ultra-liberalisering “alvast” te incorpereren, …..VOORUITLOPEND op integratie in de EU. (De laatste bijzin werd kiesheidshalve op het laatste moment GESCHRAPT; de rest bleef gewoon staan).

    Er was , – en bleef -, in een technocratisch, van twee kanten ingevuld Handelscomité voorzien, dat buiten elke democratische controle om, op de naleving van het Verdrag zou toezien.
    Het zou zelfs niet nodig zijn om de afspraken met de EU direct om te zetten in wetgeving [ welke door de democratische organen zou moeten worden geaccordeerd à la Griekenland], want de tekst en de uitvoerings-maatregelen van het Verdrag gingen boven nationale wetgeving uit.
    De instituties, de collectieve voorzieningen en sociale arrangementen , hadden slechts te volgen hoe de neo-liberale infiltratie in de Oekrainse economie zich zou voltrekken. De Democratie had slechts de kruisjes met “ja” af te vinken.

    Is het redelijk te veronderstellen dat EU-burgers die bezwaar maken tegen de economistische graai- en lobby-cultuur van de Gemeenschap zelf, tegen de outsourcing van EU-banen en de verplaatsing van bedrijfswinsten naar nieuwe ‘wingewesten’ ( de V.S. , Azië , maar ook Oost-Europa), GEEN bezwaar zouden hebben tegen het ‘verbreden’ van deze structuur met vele tientallen miljoenen ongeinformeerde burgers ?

    Zoals Youp van ‘t Hek het op 9 april 2016 formuleerde:
    [ik parafraseer:] Onze taal kent gelukkig de uitdrukking “Ik wens hier niet mee geassocieerd te worden”.

    En dat geeft de gevoelens van (sommige ?) tegenstemmers goed weer.

    • Henk van der Kolk
      Henk van der Kolk

      Dank voor de comment. De analyse bevestigt volgens mij mijn stelling. Ik begrijp dat corruptie een reden is om TEGEN te stemmen. Maar waarom is die corruptie een reden om NIET te stemmen?

  3. Frits Toben

    Niet stemmen is ook het onthouden van je stem aan een ‘overigens’ goede zaak.

    Een tussenpositie, die uiteindelijk “Nee” de beste positie geeft in de eindtelling.

    Maar mijn voorlaatste volzin geeft wellicht de sleutel : niet alleen tegenstemmers distantiëren zich van corruptie, maar er zijn ook mensen die ‘thuisblijven’ omdat ze hoe dan ook niet geassocieerd willen worden met een land, of regime dat nog niet op orde is.

    Ik heb zelf overigens ook de neiging gehad om niet te stemmen, maar om de veel vaker genoemde reden, dat ik de initiatiefnemers niet niet zuiver op de graad vond. Maar gegeven de zeldzame mogelijkheid tussentijds een (protest)stem uit te brengen, ben ik voor de verleiding van een nu eenmaal gestart referendum bezweken en heb ik toch gestemd.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)