Terreur en publieke opinie: aanslagen Anders Breivik leidden tot meer steun voor immigranten

No Comment

Op 22 juli 2011 vermoordde de Noorse rechtsextremist Anders Breivik 77 mensen in Oslo en Utøya. Deze terroristische aanslagen waren duidelijk gericht tegen de Noorse Arbeiderspartij en het multiculturele gedachtegoed van die partij. Breivik plaatste de bom in Oslo tegenover het kantoor van de toenmalige Noorse sociaaldemocratische premier Jens Stoltenberg en vervolgens schoot hij op het eiland Utøya tientallen leden van de jongerenorganisatie van de Noorse Arbeiderspartij dood.

De politieke achtergronden van dader en slachtoffers bepalen in grote mate de effecten van een dergelijke terroristische aanslag op publieke opinie. In recent gepubliceerd onderzoek (paywall) laten Niklas Jakobsson en Svein Blom zien dat Breiviks terreurdaden leidden tot positievere houdingen jegens immigranten.

 

Zwarte schapen

Jakobsson en Blom beroepen zich op het zogenaamde Black Sheep Effect (p. 3):

“[W]hen a member of the in-group misbehaves, other group members are especially critical toward the perpetrator since his/her misbehavior is more threatening to the group image than misbehavior by out-group members. The disapproval of misbehaving in-group members may be an efficient way to preserve the group image. Thus, the intuitive mainstream reaction for most people would be to dissociate themselves from the terrorist and his ideas—for example, by expressing attitudes that diverge radically from his. Since the main focus of the terrorist was to attack the ruling elite and their minority policies, we should expect attitudes toward immigrants to be affected.”

Om het effect van de aanslag op houdingen jegens immigranten in kaart te brengen gebruiken de onderzoekers een representatieve enquête onder 1143 Noren. De houdingen werden gemeten aan de hand van een zevental items (zie appendix) over de rol van immigranten in de Noorse samenleving. De vraag is natuurlijk hoe je overtuigend aantoont dat een eventuele verandering in die houdingen herleid kan worden tot de aanslagen van 22 juli 2011.

 

Tussen signaal en ruis

Soms hoef je als onderzoeker niet bijster veel calorieën te verbranden om aan te tonen dat een bepaalde gebeurtenis invloed heeft gehad op publieke opinie. Kijk maar eens naar de onderstaande approval rating voor president George W. Bush en de pieken die daarin te onderscheiden zijn. De terroristische aanslagen van 11 september 2001 hebben steun voor de president overduidelijk vergroot. De Amerikaanse politicoloog John Mueller introduceerde ooit het idee van ‘rally round the flag’ voor dergelijke bewegingen in publieke opinie (zie ook deze studie van Marc Hetherington en Michael Nelson).

 

gallupbush

Bron: Gallup Historical Statistics and Trends

 

Toch is het niet altijd eenvoudig om het ‘signaal’ uit de ‘ruis’ te herkennen. Het bovenstaande voorbeeld van 9/11 en Bush is vrij rechttoe-rechtaan, want aan de ene kant is de ‘externe interventie’ (de aanslag) zeer extreem qua omvang en impact en daarnaast bestaan er genoeg datapunten om het signaal van de ruis te kunnen onderscheiden. Presidential approval is waarschijnlijk de vaakst gepeilde houding ter wereld met vrijwel dagelijkse meetpunten uit verschillende bronnen.

Dit heeft als voordeel dat je heel dicht voor en na een gebeurtenis kunt peilen, wat het gevaar van alternatieve verklaringen voor het verschil in houdingen verkleint. Hoe meer tijd er tussen de twee meetpunten zit, hoe groter de kans dat andere gebeurtenissen, bijvoorbeeld de economie, de situatie vertroebelen. De Noorse onderzoekers hebben het wat dat betreft aanzienlijk moeilijker.

 

Discontinuïteit

De Noorse enquête was ‘in het veld’ vanaf 4 juli tot 13 augustus. Toevalligerwijs sloeg Breivik toe op 22 juli toen de dataverzameling nog in volle gang was.

De onderzoekers hebben eerst twee groepen gemaakt op basis van de datum waarop respondenten (telefonisch) zijn ondervraagd. De ‘controlegroep’ bestond uit 824 respondenten die voor 15:20 op 22 juli waren ondervraagd; de ‘experimentele groep’ uit 164 respondenten die de vragen vanaf 25 juli tot 13 augustus hebben ingevuld. De experimentele groep blijkt inderdaad positiever te denken over immigranten dan de controlegroep.

Het probleem is natuurlijk dat de groepen ook equivalent moeten zijn op andere relevante kenmerken. Jakobsson en Blom laten zien dat dit het geval is voor variabelen als geslacht, opleiding, urbanisatiegraad en werkloosheidstatus, maar vinden ook dat de controlegroep gemiddeld bijna vier jaar jonger is.

Om dit probleem van ongelijke groepen ‘pre-Breivik’ enigszins te ondervangen voeren ze aanvullende analyses uit waarbij gekeken wordt naar respondenten die zo dicht mogelijk tegen 22 juli aanzitten (zie hier voor een eerdere blogpost over dergelijke regression discontinuity technieken). Matthew Goodwin – politicoloog en deskundige op het gebied van radicaal-rechts  – twitterde een belangrijke figuur uit het onderzoek van Jakobsson en Blom. Vlak voor en na de aanslagen, waar de voorwaarde van ceteris paribus­­ het best wordt benaderd, schatten de onderzoekers dus dat er een statistisch significant verschil in houdingen jegens immigranten bestaat. Dit verschil in immigratiehoudingen lijkt op het eerste gezicht niet bijster groot, maar is bijvoorbeeld drie keer zo groot als het verschil tussen mannen en vrouwen op deze variabele.

 

Ceteris paribus?

Natuurlijk is hiermee nog lang niet alles gezegd. Jakobsson en Blom wijzen terecht op de beperkingen van hun toepassing van quasi-experimentele technieken. Ik zou bijvoorbeeld ook willen weten of er niet alleen veranderingen in houdingen jegens immigranten te vinden zijn voor en na de aanslagen, maar ook in steun voor de Noorse Arbeiderspartij, die het voornaamste doelwit vormde van Breivik.

Bovendien zijn er best wat alternatieve functionele specificaties voor regression discontinuity. Kort gezegd maakt het nogal uit of je in deze figuur de regressielijnen lineair modelleert of niet, want bij andere specificaties zullen de lijnen aan weerszijden van de ‘discontinuïteit’ elkaar op een andere plek raken (en krijg je dus een andere schatting van het causale effect).

Daarnaast is het in dit geval onduidelijk waar publieke opinie concreet op reageert: de aanslagen zelf, de politieke respons, de mediaberichtgeving of iets anders? De metingen zijn simpelweg te grof om hier zinnige uitspraken over te kunnen doen. We weten alleen dat een cluster van gebeurtenissen rondom de aanslagen van 22 juli de oorzaak van veranderende publieke opinie is geweest. Tenslotte, zoals de onderzoekers zelf ook aangeven, zal toekomstig onderzoek moeten uitwijzen of de shift in houdingen blijvend is geweest of niet.

 

Aanvullende literatuur: Jakobsson en Blom verwijzen naar soortgelijke studies over de aanslagen van 9/11, Madrid, London en de moord op Theo van Gogh.

About the author

Armen Hakhverdian
Universitair hoofddocent politicologie aan de Universiteit van Amsterdam

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)