Tumult binnen Greenpeace is les voor iedere grote NGO

No Comment

Hier volgt een gastbijdrage van Luc Fransen, universitair docent in de internationale betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam. Dit stuk verscheen op 4 augustus in Het Parool.

Non-gouvernementele organisaties worden vaak afgeschilderd als rebellenclubs van nobele amateurs die vrijwillig bloed, zweet en tranen vergieten voor hun specifieke doel. Mensen reageren soms ontmoedigd wanneer organisaties als Greenpeace groot en bureaucratisch blijken te zijn geworden.

Schaalvergroting en professionalisering kunnen volgens sommige commentatoren een aanslag op de activistische ziel van deze organisaties vormen. Het recente tumult binnen Greenpeace over het functioneren van het bestuur, de vergoeding van toezichthouders en het reisgedrag van staf en bestuurders is illustratief voor deze problemen.

Leiden schaalvergroting en professionalisering van ngo’s noodzakelijkerwijs tot een politieke identiteitscrisis? Ik denk niet dat het zo’n vaart hoeft te lopen. Meer medewerkers en bestuurslagen, een grotere diversiteit aan belanghebbenden en beheer van grotere budgetten vormen een uitdaging voor groeiende ngo’s, maar bedreigen niet altijd kernwaarden.

 

Keurslijf
De Greenpeacediscussie is echter wel een goed leermoment voor de non-gouvernementele sector. Het belicht drie uitdagingen op het snijvlak van activisme en professionalisering en schaalvergroting, fenomenen waar alle grotere ngo’s mee te maken hebben. Een van die uitdagingen is of medewerkers van ngo’s in staat zijn om activistisch te blijven handelen.

Diverse medewerkers van Greenpeace uiten zorgen over het keurslijf waarin zij terechtkomen. Medewerkers moeten zich voegen naar bureaucratische regels die de continuïteit van de organisatie beschermen; denk aan bestuurlijke verantwoordingsregels of financiële verslaglegging.

De vraag die alle ngo’s zich kunnen stellen is: in hoeverre beperken zulke regels medewerkers in hun vermogen snel, creatief en mogelijk provocatief te werk te gaan om politieke zaken onder de aandacht te brengen? In hoeverre kunnen ze zich daarbij laten leiden door idealen en die afwegen tegen de maatschappelijke realiteit die ze willen veranderen?

Bureaucratisering van ngo’s bedreigt activisme op het moment dat deze medewerkers de flexibiliteit ontneemt snel te reageren op ontwikkelingen, hun ontmoedigt nieuwe dossiers op de agenda te zetten of pogingen frustreert nieuwe vormen van politieke organisatie te ontwikkelen.
Internationale stem
Een tweede vraagstuk is of de organisaties zich blijven openstellen voor geluiden ‘van onderaf’. Voor veel ngo’s geldt dat hun legitimiteit afhangt van hun vermogen internationaal stem te geven aan en op te komen voor de belangen van maatschappelijke groeperingen, of het nu gaat om Afrikaanse boeren, Aziatische vakbondsleiders of Latijns-Amerikaanse natuurbeschermers. Daarom zoeken ngo’s een balans tussen enerzijds betrokkenheid van groeperingen ‘van onderaf’ en anderzijds de vereisten van de organisatie met betrekking tot efficiëntie en effectiviteit die veelal ‘van bovenaf’ worden opgelegd.

Greenpeace lijkt te hebben ingezet op de kracht van de overkoepelende internationale tak, ten koste van de nationale afdelingen. De vraag die iedere ngo zich moet stellen, is hoe gecentraliseerd ze haar besluitvorming wil organiseren en in hoeverre ruimte blijft voor inspraak en tegenspraak met een lokaal karakter of een specifieke politieke kleur.

 

Publieke verwachtingen

Dan is er nog de belangrijke vraag of de ngo-sector in de praktijk brengt wat men van anderen vraagt. In het Greenpeacedossier kreeg het regelmatige vliegverkeer tussen Luxemburg en Nederland van directeur Pascal Husting de meeste aandacht. Als ngo’s groeien, wordt de maatschappelijke impact van hun dagelijks handelen ook groter. Denk aan de ‘milieuvoetafdruk’, hun personeelsbeleid en contracten met bedrijven die merchandise, transport of kantoorbenodigdheden verzorgen. Als ngo’s maatschappelijke verantwoordelijkheid van overheden, burgers en bedrijven eisen, moeten ze ook weten wat hun eigen verantwoordelijkheid is. Doen ze dit onvoldoende dan dreigen ideologische botsingen onder personeel, publieke reputatieschade en een verzwakte positie in campagnes richting bedrijven en overheden.

Het is daarbij bovendien onvoldoende om gedrag te laten overeenstemmen met enkel de kerndoelen van de organisatie. Het Wereld Natuur Fonds kan wel degelijk last hebben van berichtgeving over de arbeidsomstandigheden in fabrieken waar haar speelgoedpanda’s vandaan komen, ook al is haar eigen doel natuurbescherming, niet zozeer goede arbeidsomstandigheden.

Evenzo kan Greenpeace, naast de discussie over vlieguren, bekritiseerd worden vanwege ongelijk vergoedingenbeleid, ook al is milieu haar speerpunt. Publieke verwachtingen over maatschappelijk verantwoord ondernemen laten zich voor zowel bedrijven als ngo’s moeilijk inkaderen.

About the author

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)