Veranderen moties van wantrouwen de standpunten van oppositiepartijen?

1 Comment

Moties van wantrouwen zijn een steeds populairder instrument van oppositiepartijen. Uit een overzicht in de Volkskrant blijkt dat sinds de eeuwwisseling maar liefst 37 van die moties werden ingediend in de Tweede Kamer, al werd er geen enkele aangenomen. Zo’n motie lijkt dus vooral een signaalfunctie te hebben, richting regering, maar vooral ook richting kiezers: op dit onderwerp maakt de regering het wel heel bont. Maar hoe beïnvloeden deze moties de stellingname van oppositiepartijen bij volgende verkiezingen? Een recent verschenen artikel betoogt dat oppositiepartijen hun standpunten eerder zullen wijzigen als er in het jaar voor verkiezingen veel moties van wantrouwen zijn aangenomen.

De analyse van Zeynep Somer-Topcu en Laron Williams in de European Journal of Political Research (pdf) richt zich op verkiezingen in 19 moderne democratieën tussen 1970 en 2007. Ze kijken of oppositiepartijen de standpunten in hun verkiezingsprogramma wijzigen ten opzichte van het vorige programma; meer precies kijken ze in hoeverre oppositiepartijen zich inhoudelijk distantiëren van regeringspartijen. Ze laten zien dat oppositiepartijen zich meer distantiëren van regeringspartijen indien er veel moties van wantrouwen zijn ingediend. Bovendien illustreren Somer-Topcu en Williams dat partijen hun politieke posities vooral wijzigen indien het economisch slecht gaat. Als het Bruto Binnenlands Product daalt, leiden moties van wantrouwen tot een aanpassing van standpunten. Indien het BBP groeit, hebben moties van wantrouwen eigenlijk geen effect op de stellingname van oppositiepartijen.

 

Oorzaak of gevolg?

Opvallend is dat de auteurs van het artikel aannemen dat het causaal verband in één bepaalde richting gaat: partijen passen hun standpunten aan omdat er meer moties van wantrouwen zijn ingediend. Hiervoor geven de auteurs eigenlijk maar weinig argumenten. Hun studie is in die zin beperkt omdat ze alleen kijken naar de standpunten van oppositiepartijen bij de verkiezingen aan het begin en einde van de parlementaire periode. Partijen passen hun standpunten echter doorgaans al eerder aan, zeker als het economisch slecht gaat. Zouden de vele moties van wantrouwen in zo’n geval niet vooral een gevolg zijn van veranderende standpunten van de oppositiepartijen?

Somer-Topcu en Williams laten in een aanvullende analyse (zip-bestand) zien dat oppositiepartijen hun standpunten ook aanpassen indien ze een motie van wantrouwen niet zelf indienen. Dat suggereert dat oppositiepartijen reageren op het optreden van hun oppositiegenoten. Gaan die er hard in, dan wijzigen ook partijen die de moties van wantrouwen niet medeondertekenden hun standpunten. Opnieuw is echter de vraag of hier sprake is van een causaal verband. Oppositiepartijen ondersteunen misschien niet alle moties van wantrouwen, maar dergelijke moties geven doorgaans wel blijk van een verstoorde relatie tussen oppositie en kabinet. Ook hier is het dus niet duidelijk of de veranderingen in de standpunten van oppositiepartijen de oorzaak of het gevolg zijn van de moties van wantrouwen.

Toekomstig werk zal de veranderingen in de standpunten gedurende parlementaire periodes beter in kaart moeten brengen. Dan kunnen we beter zien of partijen eerst hun standpunten wijzigen en dan hun parlementaire strategie of andersom. Juist die vraag is van belang om te bepalen of partijen hun standpunten vooral strategisch aanpassen op het gedrag van concurrenten of dat hun parlementaire strategie (ook) het gevolg is van eerder ingenomen posities. Vanuit de literatuur over politieke representatie is te hopen dat dit laatste (ook) het geval is.

About the author

Tom Louwerse
Tom Louwerse is universitair docent politicologie aan de Universiteit Leiden. Zijn onderzoek richt zich op politieke representatie, parlementair gedrag, verkiezingen, peilingen en stemhulpen.

Related Articles

1 Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)