Versplintering en de Tweede Kamer

No Comment

Veel politiek analisten uiten hun zorg over de versplintering van het Nederlandse politieke landschap. Dat meer middelgrote fracties een kabinetsformatie lastiger maken, is voor iedereen duidelijk. Maar wat het effect zal zijn van kleinere fracties op de rest van de werkzaamheden van de Tweede Kamer doet, is minder duidelijk. Is er een relatie tussen de fractiegrootte en parlementaire activiteit? Zijn kleinere fracties beter in vertegenwoordigen of in wetgeven?

Ik kijk hier naar het aantal moties, amendementen en kamervragen dat fracties hebben ingediend in de Tweede Kamer tussen 1998 en 2015 per parlementaire periode per dag. Ik probeer deze activiteiten te voorspellen aan de hand van de grootte van een fractie. (Ik hou ook rekening met het feit dat oppositiefracties actiever zijn dan coalitiefracties en gebruik poissonregressie met de mogelijkheid van een niet-lineair effect van fractiegrootte.)

De figuur hieronder laat de relaties zien: de zwarte lijn is het verwachte aantal kamervragen per fractie voor een variërend aantal Kamerleden, de onderbroken strepenlijn is het verwachte aantal moties en de stippellijn is het verwachte aantal amendenten. De patronen voor de verscheidene middelen verschillen: het aantal Kamervragen stijgt sterk tot fractiegroottes van vijftien Kamerzetels. Tussen vijftien en dertig zetels vlakt het effect van ieder extra Kamerlid af, maar extra Kamerleden leiden nog wel tot extra activiteit. Rond de dertig Kamerleden neemt de activiteit per fractie af: extra Kamerleden leiden tot minder parlementaire vragen. Een fractie met 45 leden stelt dus even veel vragen als een fractie met 18 leden. Het patroon voor moties is in hoge mate vergelijkbaar: een fractie met 45 leden dient even veel moties in als een fractie met 14 leden.

Rplot copy

 

Amendementen tonen een ander patroon: iedere parlementariër leidt tot extra amendementen. Het aantal extra amendementen voor ieder extra Kamerlid neemt nog wel af: na 22 Kamerleden vlakt het aantal amendementen af.

Kamervragen en moties zijn dan ook een ander middel dan amendementen. Het formuleren van een amendement kost meer tijd en vereist specialistische, juridische kennis, terwijl ieder Kamerlid naar aanleiding van een krantenbericht een Kamervraag of motie kan opschrijven. Tegelijkertijd zijn er maar een beperkt aantal onderwerpen waar een fractie een mening over kan hebben. Daarom groeit het aantal Kamervragen en moties na een bepaald punt niet meer. Het aantal Kamervragen en moties daalt zelfs na 30 zetels.

Als fracties kleiner worden, zal dat dus waarschijnlijk geen sterk effect hebben op het aantal vragen dat partijen stellen of moties die ze indienen. Sterker nog, het totale aantal Kamervragen of moties kan zelfs stijgen als geen van de fracties meer dan dertig zetels haalt. De mate waarin de regering gecontroleerd wordt met Kamervragen of de mate waarin het parlement niet-bindend uiting geeft aan haar beleidsvoorkeuren zal ongewijzigd blijven.

Het wetgevende handwerk van de Kamer zal echter onder druk komen te staan als er meer kleine fracties komen. Zeker in fracties met minder dan 22 leden hebben Kamerleden blijkbaar niet genoeg tijd om regel voor regel een wet door te kammen en concrete beleidsalternatieven te formuleren.

Een parlement met meer kleine fracties zal geen onverdeeld succes zijn: zo’n Kamer zal nog steeds een huis vol mensen met een mening zijn; een mening die best geformuleerd kan worden in een motie. Middelgrote fracties kunnen best reageren op nieuwsberichten. Maar waar het gaat om de ambachtelijke aspecten van het parlementaire werk is de toekomst minder rooskleurig. In kleinere fracties krijgen Kamerleden meer portefeuilles, wat hen weer minder tijd geeft om amendementen te formuleren. De ruimte voor Kamerleden om een blijvend effect te hebben op wetgeving neemt dan af.

Kortom, versplintering zorgt ervoor dat meer Kamerleden zich zullen richten op een beperkt aantal nieuwswaardige onderwerpen en dat er minder tijd zal zijn voor het wetgevende handwerk. Het parlement zal blijven vertegenwoordigen maar (nog) minder wetgeven.

About the author

Simon Otjes
Onderzoeker bij het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen van de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn onderzoek richt zich op de rol van politieke partijen in Nederland en Europa, met een bijzondere interesse voor de ruimtelijke modellen die politiek gedrag structureren. Hij is lid van GroenLinks.

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)