Voetbalnationalisme en -exclusionisme

No Comment

Vorige week is bekend geworden dat Clarence Seedorf de nieuwe trainer is van de Italiaanse voetbalclub AC Milan. In de berichtgeving over zijn aanstelling las ik tot mijn verbazing dat hij de eerste donkere trainer is in de Italiaanse Serie A in twintig jaar. De allereerste? In maar liefst twintig jaar? Dat roept allerlei vragen op. Viert discriminatie hoogtij in de Italiaanse voetballerij? Of is dit louter toeval? En hoe staan de zaken er voor in ons eigen land? Nog niet zo lang geleden vroeg Stanley Menzo zich hardop af of het feit dat het hem niet lukte om aan de bak te komen als hoofdtrainer in de Eredivisie te maken had met zijn donkere huidskleur: “Soms denk ik: hoeveel donkere spelers zijn er in Europa? En hoeveel donkere trainers? Het staat in geen verhouding tot elkaar.”

Het is algemeen bekend dat donkere voetballers regelmatig met discriminatie te maken krijgen. Neem alleen al AC Milan, de nieuwe club van Seedorf. Ongeveer een jaar geleden liep voetballer Kevin-Prince Boateng tijdens een oefenwedstrijd van het veld vanwege racistische spreekkoren. Een paar maanden later kreeg zijn teamgenoot Mario Balotelli hetzelfde te verduren. En eerder al werd dezelfde Balotelli door Paolo Berlusconi, vicepresident van AC Milan en tevens broer van, “de kleine neger van de familie” genoemd.

Hierboven ging het over (mogelijke) discriminatie van trainers en spelers door aan de ene kant de bobo’s in de skyboxen en aan de andere kant de hooligans op de tribunes. Maar in hoeverre zijn ook mensen die thuis op de bank met het bordje op schoot naar voetbal kijken negatief over etnische diversiteit in ‘hun’ elftal? Recentelijk publiceerden de sociologen Henk Erik Meier en Marcel Leinwather een onderzoek naar de vraag hoe mensen reageren op de etnische samenstelling van het nationale voetbalteam (zie hier, paywall).

 

Trots van de natie?

Volgens de onderzoekers spelen nationale voetbalteams een rol bij het construeren en in stand houden van de nationale identiteit. Ze zorgen voor nationale cohesie tijdens voetbaltoernooien en vormen zo een soort trots van de eigen natie. Nu is in de loop der jaren, door toegenomen immigratie, in veel landen de natie minder etnisch homogeen geworden. Dit zie je ook terug in de samenstelling van nationale voetbalteams: veel elftallen bestaan inmiddels uit een kleurrijk palet aan verschillende identiteiten.

Niet iedereen is daar even blij mee. Onderzoek heeft aangetoond dat sportnationalisme niet zelden een etnische component heeft: het eigen team wordt geassocieerd met de eigen etnische meerderheidsgroep, waardoor andere etnische groepen worden buitengesloten, en een mono-etnisch sportteam wordt geprefereerd boven culturele diversiteit op het veld. Zo hebben onderzoekers bijvoorbeeld laten zien dat hoe meer blanken er mee doen in een NBA-basketbalwedstrijd, hoe meer (blanke) Amerikanen er op TV naar kijken (zie hier, paywall). Meier en Leinwather verwachtten daarom dat de aanwezigheid van etnische minderheden in een nationaal voetbalteam een negatieve invloed heeft op de kijkcijfers.

De onderzoekers richten zich op het Duitse nationale elftal, omdat de Duitse identiteit volgens hen sterke etnische wortels heeft. Zo waren tot in de jaren negentig de enige multi-etnische spelers kinderen van Amerikaanse soldaten. Bovendien heeft één van hen ook nog eens geklaagd over raciale vooroordelen binnen de Duitse voetbalbond. Pas toen Frankrijk in 1998 het WK had gewonnen met een team bestaande uit mensen met veel verschillende etnische achtergronden, besloot de voetbalbond de integratie van immigranten actief te stimuleren. Inmiddels is het Duitse nationale elftal etnisch zeer divers met spelers als de in Ghana geboren Gerald Asamoah en de Turkse Mesut Özil. Er is echter nog steeds verzet tegen deze ontwikkeling. Zo protesteerde de uiterst rechtse NPD tegen de aanwezigheid van spelers met een Afrikaanse achtergrond in het nationale team.

 

Kijkcijfers

De auteurs onderzoeken in hun artikel wat het effect is van de aanwezigheid van Turkse en/of Afrikaanse spelers in het nationale elftal op de kijkcijfers (per deelstaat) van 237 wedstrijden van het Duitse elftal tussen 1995 en 2011. Ze houden daarbij rekening met allerlei andere factoren die mogelijk van invloed zijn op de kijkcijfers, zoals onder andere hoe belangrijk de wedstrijd is (o.a. vriendschappelijk of niet, toernooi of niet), de FIFA-ranking op het moment van de wedstrijd, de kwaliteit van de opponent, en het moment waarop de wedstrijd is uitgezonden.

De resultaten wijzen twee kanten op. Het slechte nieuws is dat wedstrijden waarin etnische minderheden meespelen minder goed worden bekeken dan wedstrijden waar alleen spelers met een Duitse etnische achtergrond aan meedoen. Er lijkt dus een voorkeur te bestaan voor een mono-etnisch nationaal elftal. Het goede nieuws is dat de sterkte van dit effect over de jaren is afgenomen. De onderzoekers concluderen daarom dat kijkers steeds positiever zijn gaan denken over een multi-etnisch nationaal elftal.

Toch moeten we voorzichtig zijn met het trekken van conclusies. Dat mensen minder negatief zijn geworden over een multi-etnisch team, betekent niet noodzakelijkerwijs dat ze ook minder exclusionistisch zijn geworden tegenover andere etnische groepen. Het kan simpelweg betekenen dat hun sportnationalisme prevaleert over afkeer tegenover andere groepen. Ook is het aan de hand van dit onderzoek eigenlijk niet mogelijk om te bepalen wat individuen beweegt. De bevindingen zijn immers alleen op de algemene kijkcijfers gebaseerd, en niet op informatie over individuele televisiekijkers. Daarnaast kun je je afvragen of de bevindingen ook te generaliseren zijn naar andere landen en naar andere sporten.

Nog veel te onderzoeken dus. Maar desalniettemin een interessant inkijkje in de relatie tussen nationalisme, exclusionisme en sport. Niet alleen sommige voetbalbobo’s en hooligans lijken zich te bezoldigen aan discriminatie, ook veel mensen die thuis op de buis naar voetbal kijken lijken een voorkeur te hebben voor een mono-etnisch nationaal voetbalteam – in ieder geval in Duitsland. Maar gelukkig, the times they are a-changin’.

About the author

Matthijs Rooduijn
Matthijs Rooduijn is politiek socioloog en werkt als universitair docent bij de afdeling Sociologie van de Universiteit Utrecht. Hij doet onderzoek naar de oorzaken en gevolgen van de opkomst van populistische en radicale politieke partijen, kiesgedrag en publieke opinie.

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)