Vrouwelijke partijleiders hebben het zwaarder

1 Comment

Vrouwelijke partijleiders zijn in Nederland nog altijd schaars. In de Tweede Kamer kent alleen de Partij voor de Dieren een vrouwelijk leider, in de persoon van Marianne Thieme. Voor de aankomende verkiezingen van de Eerste Kamer zijn er wat meer vrouwelijke lijsttrekkers: Tineke Strik (GroenLinks), Marleen Barth (PvdA), en Marjolein Faber (PVV). Maar het aantal mannen blijft aanzienlijk groter.

Waarom is dit het geval?

Diana O’Brien (Indiana University) [AJPS, paywall] onderzocht 441 mannelijke en vrouwelijke partijleiders van 71 partijen in 11 parlementaire democratieën tussen 1965 en 2013. Haar conclusies zijn opmerkelijk.

Slechts 14% van de politiek leiders in deze periode was vrouw, hoewel bijna de helft van de partijen ten minste één keer een vrouwelijk leider hebben gehad. Let wel: het gaat hierbij om leiderschap in het Lagerhuis (de Tweede Kamer), niet om de senaat.

 

De baas worden

Vrouwen hebben de grootste kans om partijleider te worden in kleine partijen die in de oppositie zitten. Ook helpt het vrouwen om aan de macht te komen naarmate de partij eerder meer stemmen verloor. Als we rekening houden met deze verklaringen, zijn er nauwelijks nog verschillen tussen partijfamilies. Alleen in Groene partijen worden relatief meer vrouwen tot partijleider verkozen, terwijl in communistische partijen dat juist relatief minder vaak voorkomt.

 

De baas blijven

In grote lijnen verschillen de kansen om aan de macht te blijven niet tussen mannen en vrouwen. Zo zijn grote regeringspartijen stabieler dan kleine oppositiepartijen. Maar er zijn wel degelijk verschillen. Flink verlies van zetels biedt een groter risico voor vrouwelijke partijleiders dan voor mannen. Bij groot verlies zijn vrouwen dus vaker de klos. Daarentegen biedt electorale winst nog meer stabiliteit voor vrouwen dan voor mannen.

Vrouwen worden dus sterker afgerekend op hun prestaties dan mannen.

 

Moeilijker pad tot succes

Maar O’Brien merkt terecht op dat dit niet het hele verhaal is. Vrouwen worden vaker verkozen in partijen die het moeilijk hebben en in een neerwaartse electorale spiraal zitten, en worden tegelijkertijd sterker afgerekend op hun prestaties binnen die partijen. Vrouwelijke partijleiders moeten dus voldoen aan andere – zwaardere – eisen.

About the author

Tom van der Meer
Tom van der Meer (1980) is Hoogleraar Politicologie, in het bijzonder Legitimiteit, Ongelijkheid en Burgerschap, aan de Universiteit van Amsterdam. Eerder werkte hij bij het Sociaal en Cultureel Planbureau en aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is sinds 2015 co-Directeur van het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) en Lokaal Kiezersonderzoek (LKO). Hij doet voornamelijk onderzoek naar Politiek vertrouwen, Kiesgedrag (electorale volatiliteit), Politieke socialisatie, en Sociaal kapitaal (burgerparticipatie, etnische diversiteit).

Related Articles

1 Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)