Weten kiezers welke partijen in de regering zitten?

No Comment

Weten burgers welke politieke partijen in de regering zitten? En stel nou dat grote groepen mensen niet over die kennis beschikken, welke gevolgen heeft dat dan voor het uitoefenen van kritisch burgerschap. Kun je bijvoorbeeld wel een regering afstraffen voor slecht gevoerd beleid (en belonen voor goed gevoerd beleid) als je niet weet wie regeert? In een recent verschenen artikel van David Fortunato en Randolph Stevenson (paywall, open versie hier) staan dergelijke vragen centraal.

 

Een derde van het electoraat kent de eigen regering niet

Fortunato en Stevenson laten ten eerste voor een beperkt aantal landen (Tsjechië, Polen, Slovenië, Nieuw Zeeland, het Verenigd Koninkrijk en Nederland) en verkiezingen zien dat kennis over regeringspartijen te wensen overlaat:

 

Overall, the existing survey evidence, though by no means comprehensive — or even plentiful — suggests that about a third of the electorate is unaware of the composition of the cabinet and that a substantial number of those individuals can make fairly grave mistakes — thinking that large and prominent opposition parties are, in fact, in the cabinet when they are not.

 

Het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) van 1998 vormt één van de studies die Fortunato en Stevenson meenemen. Ongeveer een kwart van de respondenten in dat onderzoek dacht bijvoorbeeld dat het CDA één van de regeringspartijen in Paars I was.

 

‘It’s the economy, stupid’

Maar wat maakt het uit dat zoveel burgers hun eigen regering niet kennen? Je zou kunnen denken dat deze mensen toch niet gaan stemmen en dat de impact van hun politieke onwetendheid dus beperkt blijft, maar niets is minder waar. Van degenen die de eigen regeringspartijen niet kennen gaat alsnog de overgrote meerderheid stemmen, aldus Fortunato en Stevenson.

Onwetendheid over de samenstelling van de eigen regering heeft gevolgen voor wat Fortunato en Stevenson ‘retrospective performance voting’ noemen. Dat is een hoop jargon voor een fundamenteel uitgangspunt van democratische verantwoording, namelijk dat kiezers in het stemhokje terugblikken op de afgelopen regeerperiode, een oordeel vellen over de prestaties van de regering en vervolgens op basis daarvan hun stem uitbrengen.

Economische prestaties spelen hier uiteindelijk een sleutelrol, althans dat was jarenlang de heersende opvatting (‘It’s the economy, stupid’). Kiezers zouden verkiezingen min of meer benaderen als referenda over de economie. Goede economische prestaties worden beloond, slechte prestaties worden afgestraft. De mate waarin de staat van de economie en stemkeuze samenhangen vormt sinds jaar en dag een vruchtbaar onderzoeksgebied in de politicologie. Volgens sommigen is de impact van de economie op stemgedrag aanzienlijk, volgens anderen valt deze wel mee.

Waar wél consensus over bestaat is dat de economie lang niet altijd en overal een rol van betekenis speelt. Het is bijvoorbeeld cruciaal dat kiezers de verantwoordelijke partijen wel kunnen afstraffen. In landen met een eenpartijregering is helder bij wie de verantwoording voor beleid ligt vergeleken met landen met een coalitieregering. De mogelijkheid om een regering af te rekenen op economische prestaties is dus nadrukkelijker aanwezig in meerderheidstelsels dan in proportionele stelsels. Dit ‘clarity of responsibility’ argument is twintig jaar geleden gemaakt door Bingham Powell en Guy Whitten en sindsdien herhaaldelijk gerepliceerd.

Maar vrijwel alle studies naar economisch stemgedrag gaan er wel van uit dat kiezers weten welke partijen in de regering zitten. Volgens Fortunato en Stevenson wordt het verantwoordingsmechanisme van verkiezingen uitgehold wanneer burgers de verkeerde partijen afstraffen, bijvoorbeeld omdat zij ten onrechte denken dat deze onderdeel waren van een economisch slecht presterende regering.

 

Welke partijen vormden samen Balkenende IV?

Zoals gezegd beperken Fortunato en Stevenson zich tot een handjevol verkiezingen in een beperkt aantal landen. De Tweede Kamerverkiezingen van 1998 (en het bijbehorende Nationaal Kiezersonderzoek) vormen een belangrijk onderdeel van hun studie, maar het is mij niet helemaal duidelijk waarom zij niet meer NKO’s hebben geraadpleegd. Het NKO van 2010 bevat bijvoorbeeld ook een aantal kennisvragen over de regeringsdeelname van politieke partijen.

De respondenten zijn in 2010 eerst gevraagd of zij wisten welke partijen tot de val van het kabinet (Balkenende IV in dit geval) in de regeringscoalitie zaten. Degenen die hierop positief antwoorden moesten vervolgens per partij aangeven of deze wel of niet deelnam aan die regeringscoalitie. Op basis hiervan kunnen we achterhalen welke respondenten correct aangeven dat CDA, PvdA en ChristenUnie toentertijd de regering vormden. Een score van 0 geeft aan dat geen van de regeringspartijen correct zijn genoemd, een score van 3 betekent dat alle coalitiepartijen van Balkenende IV correct zijn genoemd.

 

coalitiekennis

 

De bovenstaande tabel laat zien dat ongeveer 84% denkt te weten welke partijen deelnemen aan de regering. Dit betekent overigens niet dat dezelfde respondenten ook daadwerkelijk over die kennis beschikken. Sterker nog, net de helft (57%) van degenen die aangeven te weten welke partijen de regering vormen weten ook de drie juiste regeringspartijen te noemen. Van alle respondenten weet slechts de helft dat de laatste regering bestond uit CDA, PvdA en ChristenUnie.

Deze resultaten lijken ver af te liggen van die van Fortunato en Stevenson die schatten dat een derde van het electoraat niet over de juiste coalitiekennis beschikt. Nu is Balkenende IV ook eerlijk gezegd een geval apart vanwege de deelname van een (voor regeringsbegrippen) zeer kleine partij. De ChristenUnie had bij de Tweede Kamerverkiezingen van 22 november 2006 zes zetels binnengehaald én mocht voor het eerst toetreden tot een regering (D66 nam deel aan Balkenende II met hetzelfde aantal zetels maar had natuurlijk op dat moment al veel regeringservaring). Met andere woorden, het ‘raden’ van de samenstelling van Balkenende IV is lastig vanwege de deelname van een relatief marginale partij. Als we genoegen nemen met het correct aangeven van CDA-PvdA zien de resultaten er iets beter uit. 80% weet in dit geval dat zowel PvdA als CDA deelnamen aan Balkenende IV.

 

De gevolgen van electorale onwetendheid

In hoeverre deze resultaten daadwerkelijk reden zijn tot zorg kan ik nog niet helemaal overzien. Volgens Fortunato en Stevenson kan een slechte coalitiekennis bij de kiezer uiteindelijk leiden tot een verzwakking van het verantwoordingsmechanisme van verkiezingen waardoor politici minder prikkels hebben om goed te presteren.

Toch lijken me de concrete gevolgen van deze electorale onwetendheid wel mee te vallen. Het beleidsproces is in diezelfde landen waar coalitiekennis te wensen overlaat zo gefragmenteerd – niet alleen coalitiepartners, maar ook de oppositie, Eerste Kamer, maatschappelijk middenveld, belangenorganisaties enz. zijn belangrijke spelers – dat belonen en afstraffen van een verantwoordelijke partij sowieso een hachelijke onderneming wordt voor de kiezer. Voeg daar nog aan toe dat nationale staten überhaupt steeds minder in de melk te brokkelen hebben wat betreft economisch beleid en je vraagt je af of het nog zinnig is om in deze context verkiezingen te zien als referenda over de economie.

Stel dat we volgend jaar weer naar de stembus moeten met soortgelijke tekorten, krimp en werkeloosheid als nu. Wie stelt u daarvoor verantwoordelijk in het stemhokje? En wat heeft dat voor gevolgen voor uw stemgedrag?

About the author

Armen Hakhverdian
Universitair hoofddocent politicologie aan de Universiteit van Amsterdam

Related Articles

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)