Wint populistisch rechts de propaganda-oorlog op Twitter?

2 Comments

Door Kristof Jacobs (@KristofJacobs1), universitair docent in de politicologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. 

Recent verscheen een artikel in het toonaangevende magazine The Economist met als intrigerende titel “Extreme Tweeting. Few of the social-media stars among Europe’s politicians are centrists”. Het artikel maakt twee punten. Ten eerste, zouden de Europese mainstream partijen het op Twitter afleggen tegen de Europese populisten op linker en rechterzijde. Ten tweede, zou dit problematisch zijn voor ze, aangezien sociale media steeds belangrijker worden als bron van informatie voor burgers en (vooral) journalisten. Om deze punten te maken heeft het magazine het simpel gehouden: ze verzamelde gegevens over het aantal volgers en voegde nog enkele illustratieve anekdotes toe.

In dit blog ga ik in op het eerste punt: hebben Europese populisten echt meer volgers? Als dat namelijk niet zo is, is het tweede punt (informatievoorziening) meteen ook minder een probleem. Als Europese populisten daadwerkelijk meer volgers hebben zou dat opvallend zijn: de bestaande literatuur wijst namelijk op redenen waarom vooral rechts-populisten net niet populairder zijn dan de mainstream partijen.

 

Radicaal links doet het inderdaad goed

In figuur 1 uit het artikel van The Economist zien we dat zowel radicaal links als radicaal rechts het relatief goed lijken te doen (op basis van het simpele volgers-criterium dat The Economist hanteert). GUE/NGL en het trio ECR, EFD en ENL lijken het midden inderdaad weg te drukken.

Figuur 1. Europese populisten hebben buitenproportioneel veel volgers

kj1

Bron: The Economist

 

Het is niet geheel onverwacht dat radicaal-links het goed doet op Twitter: de GUE/NGL-fractie omvat zowel Syriza als Podemos die sociale media uitgebreid inzetten om te mobiliseren. De fractie heeft dan ook een tiental parlementariërs die erg actief zijn en enkele tienduizenden volgers hebben; zoals Marina Albiol, Javier Couso, Tania Peñas , Lola Caldentey. Daarnaast heeft de fractie ook Jean-Luc Mélenchon met zijn 608.000 volgers. Maar goed, zelfs als we die laatste weglaten blijven er nog vele actieve en populaire Twitteraars over in de partij. Vooral de Podemos politici doen het erg goed qua volgers.

Dat hoeft niet te verbazen: in tegenstelling tot Facebook is Twitter niet populair in alle landen. Hoewel data lastig te vinden zijn, lijkt het er op dat het medium vooral populair is in landen als de Verenigde Staten, Brazilië, het Verenigd Koninkrijk en Spanje (Podemos!). In Centraal en Oost-Europa daarentegen is Twitter nauwelijks populair. Het is dan ook niet zo gek dat Europese partijen met veel politici uit deze landen het relatief gezien minder goed doen.

 

Rechts-populisten: partijstructuur is lastig te rijmen met Twitter

De bestaande literatuur suggereert echter dat rechts-populisten minder populair zijn. Toegegeven, er is nog niet veel onderzoek gedaan naar het verband tussen partij-ideologie en sociale media-gebruik en het beschikbare onderzoek blijft vaak hangen in de klassieke economische links-rechts schaal. Recent Oostenrijks onderzoek van Martin Dolezal suggereert echter dat met name rechts-populisten het helemaal niet goed doen op sociale media zoals Facebook en Twitter. De partijleider krijgt alle aandacht en ondersteuning, maar andere politici zijn nauwelijks actief.

Dit zou kunnen liggen aan de partijstructuur van dergelijke partijen. In onderzoek van Niels Spierings en ik zelf dat in januari verschijnt, suggereren we dat het decentrale karakter van sociale media (dat helpt om een persoonlijke reputatie op te bouwen) moeilijk te rijmen is met de controle die zulke partijen willen hebben over hun politici. Dit betekent overigens niet dat die partijleider nu meteen alle mogelijkheden van sociale media benut: meestal is hij/zij druk bezig met sociale media te gebruiken als een soort persberichtmachine om journalisten te bereiken.

 

Doet populistisch rechts het echt zo goed op Twitter?

Populistisch rechts zit verspreid over drie partijgroepen: ECR, EFD en ENL. Zo zijn het Duitse AfD en de Dansk Folkeparti aangesloten bij de ECR fractie en omvat het EFD het Engelse UKIP, Beppe Grillo’s Movimento 5 Stelle en de Sverigedemokraterna. Al bij al doen die twee fracties het niet opvallend goed op Twitter als we kijken naar de volgers-aantallen.

Eigenlijk doet alleen ENL, waar de PVV lid van is samen met het Franse Front National en de Italiaanse Lega Nord, het opvallend goed. Deze Europese partij is wellicht de meest consistent populistisch rechtse van de drie, dus in die zin is het nog steeds relevant om de partij van wat naderbij te bekijken. Puur op basis van het aantal politici zou je verwachten dat de partij zo’n 0.4 miljoen volgers zou verzamelen. Ze zit daar met 1.1 miljoen duidelijk boven. Maar goed, volgers-aantallen worden vaak erg vertekend door een kleine groep politici. Vandaar dat ik de Twittergegevens van alle politici van de partij even heb verzameld.


Figuur 2. Aantal volgers voor de ENL politici (gegroepeerd per land)

kj2

Figuur 2 laat boxplots zien met de aantallen volgers. Nou ja boxplots… je ziet eigenlijk vooral de vier stipjes die wijzen op outliers – de politici met een buitenproportioneel grote aanhang. Eigenlijk is er vooral 1 stipje dat er toe doet. En dat ene stipje duidt een Franse politica aan. Inderdaad: Marine Le Pen heeft een kleine 800.000 volgers en is in haar eentje (!) verantwoordelijk voor de hoge score van de hele fractie. Zonder Marine LePen komt de partij uit op een totaal aantal volgers dat lager is dan de 0.4 miljoen die je zou verwachten.

Voor de volledigheid nog even de andere outliers: De twee overige Fransen zijn Florian Philippot en Louis Aliot; de Italiaan is Matteo Salvini. Die laatste is overigens de de facto partijleider van de Lega Nord. In andere Europese partijen zou bv. Louis Aliot niet eens een outlier geweest zijn, maar de overige leden van de fractie doen het zo belabberd dat hij al een outlier is: de mediaan voor de hele partij is een magere 1384 volgers.

Los daarvan zie je duidelijk dat het Front National zich op Twitter heeft geworpen. Zo hebben de meeste Twitter-profielen van de FN-politici een achtergrondfoto met de gegevens van hun overige sociale media accounts en zijn ze veel actiever dan de overige politici van de ENL. Waarom doet de partij dat? Dat vergt uiteraard meer onderzoek, maar de Franse FN-expert Gilles Ivaldy suggereerde me onlangs dat het te maken heeft met de ‘nieuwe’ strategie van de partij om zich meer als regeringswaardig te presenteren en minder als een one-issue partij. Om regeringswaardig te zijn moet een partij meerdere gezichten hebben (elk gezicht heeft dan zijn expertise). Twitter is dan -zeker voor een partij die niet wil vertrouwen op de mainstream media- een uitstekend middel om dat te doen.

 

 

En hoe zit het met de Nederlandse delegatie?

Voor ons onderzoek naar het gebruik van sociale media verzamelden Niels Spierings en ik gegevens over de Nederlandse Europese parlementariërs (de gegevens stammen uit mei 2015). Tabel 1 geeft de cijfers weer. Ook hier zien we duidelijk dat De PVV (helemaal onderaan) nou niet meteen de sociale media aan het domineren is. Overigens doet de SP het ook niet meteen uitstekend – vooral Anne-Marie Mineur lijkt als een bezetene tweets te sturen voor een relatief beperkt publiek.  Wat verder opvalt is dat de pro-Europese partijen GroenLinks en D66 het wél goed doen.

 

Tabel 1. Gebruik sociale media door Nederlandse Europarlementariërs

Naam politicus(Delegatieleiders en (vroegere) lijsttrekkers in vet) Twitter sinds Aantal volgers1 Aantal Tweets1 Facebook account Aantal friends/likes
Hans van Baalen (VVD) 05/2009 3.081 2 NEE n.v.t.
Cora van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD) 11/2009 5.908 5.263 JA 1,869
Jan Huitema (VVD) 05/2010 3.261 1.593 JA 1,380
Paul Tang (PvdA) 03/2009 6.296 4.585 JA 1,493
Agnes Jongerius (PvdA) Onbekend 2.670 2.390 NEE n.v.t.
Kati Piri (PvdA) Onbekend 1.847 1.388 JA Onbekend
Wim van de Camp (CDA)3 01/2009 14.400 13.600 JA 3,084
Esther de Lange (CDA)3 04/2009 6.352 3.696 JA 1127
Jeroen Lenaers (CDA) 10/2011 1.335 1.425 JA 575
Annie Schreijer-Pierik (CDA) Onbekend 3.391 1.920 NEE n.v.t.
Lambert van Nistelrooij (CDA) 09/2010 5.225 12.200 JA 1,244
Sophie in ‘t Veld (D66) 01/2009 22.600 26.900 JA 2,506
Marietje Schaake (D66) 01/2009 32.000 42.300 JA 5,571
Gerben Jan Gerbrandy (D66) 04/2009 6.294 6.133 JA 1,071
Matthijs van Miltenburg (D66) Onbekend 1.377 2.342 JA Onbekend
Bas Eickhout (GroenLinks)4 01/2009 10.900 22.600 JA 4,111
Judith Sargentini (GroenLinks)4 01/2009 8.345 12.100 JA 2,661
Anja Hazekamp (PvdD) 05/2010 2.259 2.887 JA 817
Peter van Dalen (ChristenUnie)2 01/2009 1.029 351 JA 789
Bas Belder (SGP) 12/2010 1.976 898 NEE n.a.
Dennis de Jong (SP) 05/2009 2.648 3.318 JA 117
Anne-Marie Mineur (SP) 09/2009 1.941 41.000 JA Onbekend
Marcel de Graaff (PVV) 10/2010 1.947 4.884 JA 475
Vicky Maeijer (PVV) 12/2011 157 91 NEE n.v.t.
Olaf Stuger (PVV) 04/2013 402 163 JA 1
Hans Jansen (PVV) Nee n.v.t. n.v.t. NEE n.v.t.

(1) gemeten op 13 Mei 2015; (2) Dit is een partij-account, maar ze verwijst rechtstreeks naar zijn persoonlijke website this is on account with; (3) Wim vd Camp was lijsttrekker, maar Esther de Lange werd delegatieleidster; (4) Bas Eickhout was lijsttrekker in 2015, but Judith Sargentini in 2009; (5) Hans Jansen stierf in Mei 2015. Op zijn website stond: “Ik heb geen Facebook of Twitter account”; Bron: aangepast van Jacobs & Spierings.

 


Conclusie: populistisch rechts is helemaal niet bijzonder succesvol

Al bij al moet de conclusie van The Economist dus duidelijk gerelativeerd worden: radicaal links doet het dan wel vrij goed, maar de goede score van populistisch rechts is enkel te wijten aan Marine Le Pen. Of zij in haar eentje de hele Europese publieke opinie weet te beïnvloeden is maar de vraag.

Daarnaast spelen duidelijk landspecifieke factoren een rol. In centraal en Oost-Europa is men nauwelijks actief op Twitter dus het is toch wel een West-Europese  bias om enkel naar Twitter te kijken. Tot slot sluiten de cijfers van the Economist niet uit dat binnen een meerderheid van de Europese landen er wel een evenwicht is tussen het centrum en de flanken. Door de grote Franse vertekening wordt ondergesneeuwd dat populistisch rechts het vaak niet goed doet op sociale media. Nederland is daar een mooi voorbeeld van.

About the author

Related Articles

2 Comments

  1. Samu El

    Interessant onderzoek. Toch heb ik wel serieuze kanttekeningen bij de opzet ervan.

    Partijsystemen opereren op nationaal niveau: dat is waar de kiezer moet worden overtuigd. Mensen stemmen op het CDA, niet op de EVP, en dit geldt nog sterker voor radicaal-rechtse partijen. Daarnaast vindt ook het publieke debat over “Europa” nog steeds in grote mate op nationaal niveau plaats. Daarom lijkt het niet zo zinvol om dit per Europese fractie te bekijken: wat betekent het resultaat dan eigenlijk? En waarom naar Europarlementariërs kijken? Ik zou dergelijk onderzoek, vanwege het partijsysteem dat op nationaal niveau (of op een nog lager niveau, zoals in België) opereert, eerder op het nationale niveau richten. Dat is het niveau waarop verkiezingsoverwinningen van radicaal-rechts écht tot beleidsinvloed kunnen leiden en dat is de arena waarop radicaal-rechtse partijen zich primair richten.

    Ander punt: door de Europese aggregatie van data worden landen met veel inwoners “overschat”: het is op zich logisch dat een EVP-parlementariër in Duitsland (81 miljoen inwoners) meer bereik heeft dan bijvoorbeeld een ECR-politicus in Tsjechië (10 miljoen inwoners). De rechtspopulistische fracties zijn natuurlijk ook actief in “grote” landen (en “kleine” landen zijn natuurlijk oververtegenwoordigd wat betreft de grootte van de EP-delegatie), maar toch is het riskant om op deze wijze data te gaan stapelen. Daarnaast lijkt het weinig relevant: als het publieke debat op nationaal niveau plaatsvindt, wil je kijken hoeveel volgers Wilders/PVV’ers heeft als percentage van het totaal aantal volgers van Nederlandse partijleiders/parlementariërs om te kijken of rechts-radicaal
    “oververtegenwoordigd” is.

    Bovendien zijn juist radicaal-rechtse partijen vaak hiërarchisch en gericht op één leider. Het valt daarom te verwachten dat met name de partijleider veel volgers heeft, en het is ook met name deze persoon die de PR-“oorlog” voert. Meestal is deze partijleider de leider van de parlementaire delegatie, geen Europarlementariër (Le Pen en voorheen Farage zijn natuurlijk de uitzonderingen). Het lijkt daarom veel relevanter om te kijken of, bijvoorbeeld, Strache, Soini en Wilders veel volgers hebben (afgezet tegen het totaal aantal volgers in hun land) dan of de Europarlementariërs van deze partijen veel volgers hebben.

    Kortom, ik zou me niet direct op het Europese niveau richten, maar de verschillende nationale niveaus binnen Europa bekijken. Ten eerste vindt het publieke debat op dat niveau plaats, ten tweede opereren partijsystemen op dat niveau, ten derde richten radicaal-rechtse partijen zich zowel vanwege organisatorische redenen (hiërarchie) als vanwege ideologie (nationalisme) op dat niveau en ten vierde vermijd je als onderzoeker hiermee het aggregatieprobleem (er zijn per definitie meer Duitse dan Maltese volgers, terwijl je een fenomeen bestudeert dat zich in principe op nationaal niveau manifesteert).

    • Kristof Jacobs
      Kristof

      Beste Samuel, dank voor je reactie. In mijn replicatie van het stuk van the Economist hield ik me aan hun simpel onderzoeksopzet -het optellen van volgers van Europese parlementsleden- om te kijken of er een vertekening in hun cijfers zat. Dat was zo, aangezien Marine Le Pen het hele verband bepaalt.

      Er valt echter heel wat af te dingen op dat simpele onderzoeksopzet. Sowieso moet je, zoals ik ook aangeef, inderdaad eigenlijk analyses op landniveau uitvoeren om rekening te houden met het aantal Twitteraars in dat land (sommige grote landen zoals Polen hebben relatief weinig Twitteraars).

      Ik ben het met je eens dat je ook naar nationale Twitteraars kan kijken. De meeste studies doen dat ook. In onze studie die in januari verschijnt doen we voor Nederland een nationale, lokale en Europese analyse. De resultaten daarvan verschillen niet zoveel van elkaar, al zijn Europese politici nog net iets actiever op Twitter dan nationale. Lokale politici zijn niet actief.

      Ik wil hier overigens wel de beslissing van The Economist verdedigen: zij wilden kijken naar de communicatie over Europa en dan is het niet onlogisch dat je Europese parlementsleden analyseert. Net zoals de gemeenteraad de plek is voor debat over lokale kwesties, kan je zeggen dat het Europese Parlement dat is voor de Europese. Ik ben het overigens wel met je eens dat het Europese partijstelsel ook (deels) nationaal is. Ik zou het echter een hybride noemen: de Europese partijen spelen wel degelijk een rol op de achtergrond. Een analyse van beide niveaus is dus het meest zinvol, lijkt me.

      Tot slot nog even wat zaken over Wilders op Twitter. Ja, hij heeft veel volgers, maar: (1) hij wordt gevolgd door vriend én vijand (extremere partijen hebben polariseren meer en hebben meer uitgesproken ‘vrienden’ en ‘vijanden’) (2) Wilders heeft daarnaast meer dan de meeste andere politici een zeer groot aantal volgers die of nep zijn dan wel extreem inactief (en dus nutteloos zijn voor het verspreiden van zijn boodschap) en (3) de manier waarop Wilders gebruik maakt van Twitter is enkel als zendmachine. Andere partijen weten veel beter gebruik te maken van de mogelijkheden van sociale media om een nieuw publiek aan te boren, met ze in debat te gaan, ze aan zich te binden en ze te engageren voor acties.

      Dit alles brengt me meteen tot mijn laatste punt van kritiek op het opzet van The Economist: alleen kijken naar volgers is te beperkend om echt de kwaliteit van het Twittergebruik te onderzoeken.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)