Worden Henk en Ingrid steeds meer mainstream?

1 Comment

Radicaal-rechtse populistische partijen zijn in pakweg de laatste twee decennia steeds succesvoller geworden. Denk aan de PVV, maar ook aan haar zusterpartijen in bijvoorbeeld Frankrijk (Front National), Oostenrijk (FPÖ), Italië (Lega Nord) en Duitsland (Alternative für Deutschland). Een aantal van deze partijen heeft met de jaren niet alleen een steeds grotere kiezersschare achter zich weten te krijgen, maar is er ook in geslaagd tot regeringscoalities op nationaal niveau door te dringen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de FPÖ, de Lega Nord, en nog een aantal andere partijen in de ons omringende landen. De PVV heeft een tijdlang een regeringscoalitie van CDA en VVD gedoogsteun verleend.

Je zou kunnen verwachten dat radicaal-rechtse populistische partijen als gevolg van hun toegenomen populariteit onder kiezers en hun landelijke bestuurservaringen steeds meer mainstream zijn geworden. Of dat inderdaad zo is kun je lezen in deze blog van Tjitske Akkerman, Sarah de Lange en mijzelf. Vandaag wil ik op een gerelateerde vraag ingaan: zijn de kiezers van radicaal-rechtse populistische partijen steeds meer mainstream geworden?

 

Verschillen tussen kiezers van radicaal-rechtse populistische en mainstreampartijen

Verschillende studies hebben aangetoond dat de kiezers van radicaal-rechtse populistische partijen op drie vlakken verschillen van mensen die op mainstreampartijen stemmen (onder mainstreampartijen versta ik christendemocratische, conservatieve, liberale en sociaaldemocratische partijen). Ten eerste hebben mensen die op radicaal-rechtse populistische partijen stemmen gemiddeld lagere sociaaleconomische posities – ze zijn bijvoorbeeld lager opgeleid en hebben lagere inkomens. Ten tweede verschillen deze kiezers van mainstreamkiezers met betrekking tot hun opvattingen over onderwerpen als immigratie en Europese integratie. En ten derde zijn deze kiezers gemiddeld ontevredener met het functioneren van de politiek.

 

Mainstreaming van de radicaal-rechtse populistische kiezer?

In een recente bijdrage aan dit boek heb ik bekeken of mensen die op radicaal-rechtse populistische partijen stemmen met de jaren steeds meer zijn gaan lijken op mainstreamkiezers. Ik heb me daarbij gericht op vier West-Europese radicaal-rechtse populistische partijen die al geruime tijd behoorlijk wat kiezers aan zich weten te binden: het Vlaams Belang in België, de Deense Volkspartij, het Franse Front National en de SVP in Zwitserland. Op basis van een dataset met informatie over sociaaleconomische achtergronden van kiezers, hun attitudes, en hun stemgedrag, heb ik onderzocht of mensen die op radicaal-rechtse populistische partijen stemmen tussen 2002 en 2012 steeds meer zijn gaan lijken op mainstreamkiezers. Hieronder de belangrijkste resultaten.

 

 

figuur-2

Figuur: Regressiecoëfficiënten van verschillende variabelen die een effect hebben op het stemmen op radicaal-rechtse populistische partijen (versus mainstreampartijen) over de jaren, en de gemiddelde scores per groep

 

De stippen in de linkerplaatjes in bovenstaande figuur geven voor iedere variabele (opleiding, klasse, opvattingen over immigratie, EU en politiek) aan wat de effecten (de regressiecoëfficiënten) zijn op het al dan niet op een radicaal-rechtse populistische partij stemmen. De lijnen daaromheen zijn de betrouwbaarheidsintervallen. Zoals gezegd heeft eerder onderzoek aangetoond dat mensen die op radicaal-rechtse populistische partijen stemmen gemiddeld lager zijn opgeleid, uit lagere klassen komen, negatiever zijn over immigratie en de EU, en minder tevreden zijn met de politiek. In principe zouden we dus overal negatieve effecten moeten verwachten, wat betekent dat de verticale lijnen onder de horizontale streep zouden moeten liggen. Wanneer de lijnen overlappen met de horizontale streep zijn er geen significante verschillen tussen de twee groepen kiezers, en als de lijnen volledig boven de horizontale streep liggen is er sprake van een positief effect (wat zou betekenen dat radicaal-rechtse populistische kiezers juist hoger zijn opgeleid, uit hogere klassen afkomstig zijn, positiever staan tegenover immigratie en EU, en tevredener zijn met de politiek).

Als kiezers van radicaal-rechtse populistische partijen inderdaad steeds meer mainstream zijn geworden, zouden de effecten steeds minder sterk negatief moeten zijn geworden. Met betrekking tot opleiding en klasse – de sociaal-economische kenmerken – is er geen sprake van een dergelijke verschuiving. Kiezers van radicaal-rechtse populistische kiezers verschilden in 2012 net zo sterk van mainstreamkiezers als in 2002. Hetzelfde geldt voor hun opvattingen over immigratie. Die zijn flink negatiever dan die van mensen die op mainstreampartijen stemmen. En dat is niet minder geworden met de jaren.

Maar als we kijken naar de opvattingen over de EU en de politiek zien we een ander patroon. Met betrekking tot deze thema’s zijn radicaal-rechtse populistische kiezers steeds meer gaan lijken op mainstreamkiezers. Het lijkt er dus op dat de Henks en Ingrids in de ons omringende landen steeds meer mainstream zijn geworden.

 

Mainstreaming of radicalisering?

Nou, nee. Toch niet. De tweede reeks plaatjes in bovenstaande figuur laat de gemiddelde scores zien per groep kiezers. Bij opleiding, klasse en de opvattingen over immigratie zien we dat radicaal-rechtse populistische kiezers flink lager scoren dan kiezers van mainstreampartijen, en dat de afstand tussen de twee lijnen niet kleiner is geworden. Er is dus geen sprake van convergentie. Dit is anders wanneer we kijken naar de opvattingen over de EU en de politiek. Hier zijn we dat de lijnen steeds dichter bij elkaar zijn komen te liggen. En bij politieke tevredenheid zien we in 2008 en 2010 zelfs geen verschil meer tussen mainstreamkiezers en radicaal-rechtse populistische kiezers.

Als we nu naar de ontwikkelingen in ieder land apart kijken (hier niet weergegeven) blijkt er geen duidelijk patroon te zijn als het gaat om het thema politieke tevredenheid. Een dergelijk patroon is er wél met betrekking tot de opvattingen over Europese eenwording. In ieder land zien we toenemende Euroscepsis. Zowel onder kiezers van radicaal-rechtse populistische partijen als onder mensen die op mainstreampartijen stemmen. En wat opvallend is: de groei van Eurosceptische opvattingen is groter onder mainstreamkiezers dan onder radicaal-rechtse populistische kiezers. Dit wijst erop dat er geen sprake is van mainstreaming van de Henks en Ingrids onder ons, maar van radicalisering van de electoraten van mainstreampartijen…

 

Drie mogelijke oorzaken van radicalisering van mainstreamkiezers

Die gemiddelde radicalisering van mainstreamkiezers kan verschillende oorzaken hebben. Ten eerste is het mogelijk dat mainstreampartijen hun attitudes hebben aangepast aan die van radicaal-rechtse populistische partijen en daarmee kiezers van die partijen hebben afgesnoept. De convergentie tussen de twee groepen kiezers komt dan doordat zich onder het mainstreamelectoraat steeds meer voormalige radicaal-rechtse populistische kiezers bevinden. Ten tweede is het mogelijk dat steeds meer mainstreamkiezers geswitcht zijn naar andere partijen, zoals bijvoorbeeld groene of radicaal-linkse partijen. Hierdoor zou het overgebleven mainstreamelectoraat gemiddeld radicaler kunnen zijn geworden. Ten derde zou het natuurlijk ook kunnen dat het kernelectoraat van mainstreampartijen zijn opvattingen heeft aangepast. Door bijvoorbeeld de economische crisis, steeds radicalere mediaberichtgeving of radicaliserende mainstreampartijen zouden, deze kiezers hun opvattingen over de EU kunnen hebben aangepast.

Maar wat er ook precies aan de hand is, we kunnen voor nu concluderen dat de Henks en Ingrids in de ons omringende landen niet steeds meer zijn gaan lijken op mainstreamkiezers – er is géén sprake van mainstreaming. Integendeel. Met betrekking tot de opvattingen over Europese eenwording is er juist, andersom, sprake van de radicalisering van mainstreamkiezers.

 

Afbeelding: Convergence 2 door Vic Hubbard (via Flickr).

About the author

Matthijs Rooduijn
Matthijs Rooduijn is politiek socioloog en werkt als universitair docent bij de afdeling Sociologie van de Universiteit Utrecht. Hij doet onderzoek naar de oorzaken en gevolgen van de opkomst van populistische en radicale politieke partijen, kiesgedrag en publieke opinie.

Related Articles

1 Comment

  1. Anton Jansen

    Matthijs, interessante bevindingen. Waarom heb je het alleen over rechts radicale populistische kiezers en niet over links radicale populistische kiezers of, is dat in je onderzoek de zelfde groep? Henk en Ingrid zijn vlgs mij niet meer rechts of links maar conservatief. Dat is de reden dat zij makkelijk van links naar rechts populistisch switchen? Immigratie politiek van mainstream partijen kan vermoedelijk bij links populistisch nog een klein beetje meer op ‘mededogen’ rekenen dan bij rechts. Europa is een politiek (cultureel en economisch) onderwerp dat ook c.q. vooral door mainstream politici slap tot niet wordt verdedigt omdat het nationale belang van (her-)verkiezing zwaarder weegt?

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked (required)