
Binnen de Koninkrijksrelaties wordt al decennialang gesproken over het democratisch tekort of ‘deficit’ in ons Koninkrijk. Hiermee wordt gedoeld op het feit dat ingezeten van de drie Caribische landen (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) geen stemrecht hebben voor de Nederlandse Eerste en Tweede Kamer, terwijl dit parlement wel wetten aanneemt die voor het hele Koninkrijk gelden. Bovendien kunnen alleen de Eerste en Tweede Kamer de Koninkrijksregering controleren en ter verantwoording roepen; de parlementen van de Caribische landen hebben dit recht niet.
Voor de drie andere Caribische eilanden in ons Koninkrijk – Bonaire, Saba, en Sint Eustatius, samen ‘Caribisch Nederland’ – geldt dat zij sinds 2010 in Nederland geïntegreerd zijn als openbare lichamen. Inwoners van deze eilanden mogen dus wél stemmen voor het Nederlandse parlement, al is dat niet zonder slag of stoot gegaan. De eerste verkiezingen voor de Tweede Kamer na de integratie van de eilanden in 2010 vonden pas plaats op 12 september 2012, wat betekent dat eilandbewoners bijna twee jaar lang geen invloed hebben gehad op de samenstelling van de Tweede Kamer. Juist in die periode werden wel belangrijke wetgevingsbeslissingen genomen voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Voor de verkiezing van de Eerste Kamer geldt dat deze getrapt plaatsvindt, via de verkiezing van de Provinciale Staten. Aangezien Bonaire, Saba en Sint Eustatius niet onder een Nederlandse provincie vallen, was er lang onduidelijkheid over de manier waarop dit kiesrecht geregeld kon worden. Uiteindelijk werden pas in 2017 speciale kiescolleges voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba ingesteld waarmee eilandbewoners het stemrecht verkregen. Bonairianen, Sabanen en Statianen hadden dus zeven jaar lang geen democratische invloed op de samenstelling van de Eerste Kamer. Volgens Douwe Jan Elzinga waren de Eerste Kamerverkiezingen van 2011 en 2015 daardoor onrechtmatig.
Inmiddels is het stemrecht voor zowel de Eerste als de Tweede Kamer geregeld, en is er formeel dus geen sprake meer van een democratisch gebrek. Toch blijft de vertegenwoordiging van de inwoners van Bonaire, Saba en Sint Eustatius in ons parlement problematisch. Van cruciaal belang daarbij is dat er tussen het Europese deel van Nederland enerzijds en Caribisch Nederland anderzijds op veel grotere schaal differentiatie in wetgeving plaatsvindt dan tussen gemeenten in het Europese deel van Nederland onderling. Deze mogelijkheid tot differentiatie is benadrukt in artikel 132a lid 4 van de Grondwet, het zogenoemde ‘differentiatiebeginsel’.
Hierdoor geldt voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba vaak afwijkende wet- en regelgeving ten opzichte van het Europese deel van Nederland, en deze afwijkende wetten en regels werken doorgaans in het nadeel van de eilandbewoners. Zo blijven veel sociale voorzieningen en rechten op de eilanden achterlopen bij Europees Nederland; een situatie die volgens de Nationale ombudsman, het College voor de Rechten van de Mens en de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme in strijd is met artikel 1 van onze Grondwet. Onder eilandbewoners leidt het tot het begrijpelijke gevoel tweederangsburger te zijn, of – om het in historische context te plaatsen – altijd te zijn gebleven.
Om discriminatie te voorkomen is het van belang dat de inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba goed vertegenwoordigd zijn in het parlement dat de vaak afwijkende wetgeving voor de eilanden vaststelt. Maar hier raken we aan een tweede probleem: het electoraat van de eilanden is zo klein dat de invloed op de samenstelling van ons parlement in de praktijk bijna verwaarloosbaar is. Voor de verkiezingen van de Tweede Kamer in 2025 bedroeg het totaal aantal kiesgerechtigde Nederlanders zo’n 13,5 miljoen, waarvan slechts minder dan 20.000 afkomstig waren uit van Bonaire, Sint Eustatius en Saba; dat is 0,15%. Dit komt bij lange na niet in de buurt van de kiesdeler van ongeveer 70.000 stemmen die nodig is om een zetel te halen, en is maar net meer dan de ongeveer 17.500 stemmen die nodig zijn voor een voorkeurszetel (de ‘voorkeurdrempel’).

En daarmee komen we aan bij het derde en laatste probleem: de verkiezingsopkomst op de eilanden blijft ver achter bij die in Europees Nederland, en laat sinds 2010 zelfs een licht dalende trend zien. In figuur 1 zijn de opkomstpercentages bij Tweede Kamerverkiezingen op de eilanden afgezet tegen het gemiddelde van Europees Nederland. Waar de opkomst in Europees Nederland zo rond de 80% schommelt, ligt dit in Caribisch Nederland op minder dan 30%, met als negatieve uitschieter het opkomstpercentage van slechts 10,75% bij de afgelopen Tweede Kamerverkiezing op Sint Eustatius. Deze lage opkomstcijfers kunnen verklaard worden door het gebrek aan invloed, maar ook door het feit dat er op de eilanden nauwelijks sprake is van een verkiezingscampagne, waardoor de Nederlandse politiek altijd een ver-van-mijn-bed-show gebleven is.

Bij verkiezingen voor de kiescolleges voor de Eerste Kamer ligt de opkomst op de eilanden hoger, terwijl de opkomst bij Provinciale Statenverkiezingen in Europees Nederland juist veel lager ligt dan bij Tweede Kamerverkiezingen. Zoals in figuur 2 te zien is, liggen de opkomstpercentages voor Europees en Caribisch Nederland als het gaat om Eerste Kamerverkiezingen dus veel minder ver uit elkaar. De belangrijkste verklaring daarvoor is dat de verkiezingen voor de kiescolleges gelijktijdig plaatsvinden met die voor de eilandsraden – de Caribische gemeenteraden. En hier is nog een belangrijk verschil met Europees Nederland te zien: bij lokale verkiezingen ligt de verkiezingsopkomst in Caribisch Nederland juist beduidend hoger dan in Europees Nederland (zie figuur 3). Waar we in Europees Nederland een opkomstpercentage van tussen de 50% en 60% zien, ligt het gemiddelde percentage op Caribisch Nederland rond de 70%. Dit laat zien dat Bonairianen, Sabanen en Statianen zich veel sterker verbonden blijven voelen met de lokale eilandpolitiek dan met de nationale politiek van het verafgelegen Den Haag.

Het feit dat Caribisch Nederland te maken heeft met grotendeels afwijkende, en soms zelfs discriminatoire wet- en regelgeving, terwijl Caribische Nederlanders een verwaarloosbare invloed hebben op de samenstelling van het parlement dat deze wetgeving vaststelt, kan vanuit het oogpunt van democratische vertegenwoordiging als problematisch worden gezien. In de praktijk leidt het ertoe dat de wetgever regelmatig tekortschiet in het motiveren van de beslissing of wetgeving al dan niet ook van toepassing is op de eilanden, en het komt zelfs regelmatig voor dat de eilanden in wetgevingsprocessen domweg vergeten worden. Voor inwoners van Caribisch Nederland heeft de gebrekkige vertegenwoordiging in de Tweede Kamer dus duidelijke nadelige gevolgen.
Toch is het oplossen van dit probleem zo mogelijk nog lastiger dan het opheffen van het democratisch tekort voor de Caribische landen. Ons kiesstelsel is sterk ingegeven door het principe van evenredige vertegenwoordiging, waarbij iedere stem in principe even zwaar weegt bij het bepalen van de uitslag. Daar past niet goed bij dat de stem van een Caribische Nederlander zwaarder zou tellen dan die van een Europese Nederlander.
Dit betekent dat de oplossing voorlopig veel meer ligt in het vergroten van het bewustzijn dat ons parlement óók de volksvertegenwoordiging van Caribisch Nederland is. En juist hier ligt dan ook de grootste uitdaging. Of het nou gaat om bescherming tegen de gevolgen van klimaatverandering (de klimaatzaak Bonaire), het ontbreken van strategische noodvoorraden op de eilanden, of de ondermaats blijvende gezondheidszorg, de ongelijkwaardige positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt met elk rapport weer onderstreept. Het parlement heeft een centrale rol in het realiseren van gelijkwaardigheid voor Bonaire, Saba en Sint Eustatius, en het is essentieel dat die rol ook serieus genomen wordt.
