Een van de meest omstreden maatregelen in het regeerakkoord van het kabinet Rutte-3 is de afschaffing van de dividendbelasting, de belasting op winst uit beleggingen.

Ten eerste is de maatregel politiek gezien kostbaar voor de betrokken partijen. Geen van de vier regeringspartijen had de afschaffing van de dividendbelasting opgenomen in hun verkiezingsprogramma, dus van een electoraal mandaat is niet bepaald sprake. Bovendien kan de oppositie de maatregel afschilderen als een geschenk aan multinationals en hun buitenlandse beleggers. En verder is er, niet geheel verrassend, weinig steun voor de maatregel onder de Nederlandse bevolking.

Ook in economisch opzicht is de maatregel kostbaar. In de doorrekening van het regeerakkoord wordt ingeschat dat afschaffing vanaf 2020 1,4 miljard euro per jaar zal kosten. En het argument dat door Rutte en de rest van het kabinet alsmaar wordt herhaald, dat het nodig is om een aantrekkelijk vestigingsklimaat te behouden en zodoende werkgelegenheid te beschermen, wordt niet ondersteund door het CPB en de meeste economen. Dat wil zeggen, de opbrengsten van afschaffing zijn veel onzekerder dan de kosten.

Instrumenteel en structureel marxisme

Waarom is de maatregel dan toch in het regeerakkoord opgenomen? Om dit beter te begrijpen wil ik een literatuur binnen de politieke economie afstoffen, namelijk die van het instrumentele en structurele marxisme. Ik weet dat marxisme een eng woord is, maar ik hoop dat ik kan laten zien dat het desondanks relevant kan zijn om de huidige politieke ontwikkelingen te duiden.

Wat het instrumentele en structurele marxisme met elkaar gemeen hebben is dat ze beide veronderstellen dat het bedrijfsleven een grote invloed heeft op de politiek. Zij verschillen echter in hoe zij deze invloed verklaren. Het instrumentele marxisme gaat uit van bewust, doelgericht handelen van bedrijven en rijke individuen om politieke besluitvorming te beïnvloeden. Dit is de wereld van lobbyactiviteiten, campagnedonaties en de draaideur tussen politiek en bedrijfsleven.[i]

Het structurele Marxisme sluit dit niet per se uit, maar zegt dat de institutionele structuur van het kapitalisme er automatisch voor zorgt dat sommige belangen meer prioriteit krijgen dan andere. De rol van investeerdersvertrouwen en werkgelegenheid staat hierbij centraal. Zoals Fred Block het verwoordt:

In a capitalist economy, the level of economic activity is largely determined by the private investment decisions of capitalists. This means that capitalists, in their collective role as investors, have a veto over state policies in that their failure to invest at adequate levels can create major political problems for the state managers. This discourages state managers from taking actions that might seriously decrease the rate of investment.[ii]

Met andere woorden, het belang van investeringen voor economische groei zorgt ervoor dat de politiek structureel afhankelijk is van het bedrijfsleven. Dit gebeurt zelfs wanneer afzonderlijke bedrijven geen politieke invloed proberen uit te oefenen.[iii]

Terug naar de dividendbelasting

Wat de afschaffing van de dividendbelasting interessant maakt is dat het de relevantie van, en het verschil tussen, het instrumentele en structurele perspectief zo duidelijk illustreert. Het kabinet, Mark Rutte voorop, verdedigt het plan vanuit de logica van het structurele marxisme. Het belang van een aantrekkelijk vestigingsklimaat staat voorop. Het argument is begrijpelijk, omdat het impliceert dat er geen andere keuze mogelijk is. Het kabinet zegt als het ware: wij zouden de dividendbelasting wel in stand willen houden, maar het belang van investeringen dwingt ons om het af te schaffen.

De werkelijkheid lijkt echter niet overeen te komen met het structurele perspectief. Zoals ik hierboven al schreef is het voor het CPB en de meeste economen niet duidelijk dat de maatregel ook daadwerkelijk invloed zal hebben op investeringen en werkgelegenheid. Interne documenten laten zien dat het ministerie van Financiën daar in eerdere jaren ook niet van overtuigd was. In een memo uit 2009 schrijft men bijvoorbeeld dat het “de vraag [is] of de voordelen de nadelen overtreffen en of een lastenverlichting van 2 miljard niet meer efficiënt […] kan worden ingezet. Op dit moment lijkt afschaffing van de dividendbelasting geen prioriteit te hebben.” En in 2014 schrijven ambtenaren aan de staatssecretaris dat “afschaffing van de belasting een verschuiving [betekent] van de last naar binnenlandse verhoudingen”. Oftewel, de belastingbetaler zou er voor opdraaien.

In plaats daarvan stelt het instrumentele marxisme ons beter in staat om te begrijpen waarom het kabinet tot deze maatregel is overgegaan. Inmiddels weten we dat een aantal grote bedrijven (Shell, Unilever, Philips en AkzoNobel) contact hebben gezocht met het kabinet tijdens de formatie met als doel om de afschaffing van de dividendbelasting in het regeerakkoord op te nemen. Uit dezelfde interne documenten van het ministerie van Financiën blijkt dat dit slechts de laatste fase was van een lobbyproces dat al sinds 2009 gaande is onder leiding van werkgeversorganisatie VNO-NCW en de American Chamber of Commerce. Verder is er een specifieke groep aandeelhouders die profiteert van de afschaffing. Deze groep bestaat voor een groot deel uit hedgefondsen en vermogensbeheerders.

Met andere woorden, de maatregel is een gevolg van instrumenteel handelen door bedrijven en er is een select aantal actoren die duidelijk kunnen worden bestempeld als winnaars van het proces. Tegelijkertijd is hier niet of nauwelijks sprake van de structurele afhankelijkheid die door het kabinet als reden voor het besluit wordt gegeven.

Conclusie

Het structurele marxisme is in mijn ogen een belangrijk en onderbelicht perspectief. Het geeft inzicht in situaties waarin de democratie ‘gevangen’ zit in de markt, in de woorden van Charles Lindblom. Dat maakt veel van de retoriek over het creëren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat ook zo moeilijk te weerleggen.

In dit geval lijkt dat echter niet op te gaan, en het kabinet kan zich hier niet achter verschuilen. Men heeft er bewust voor gekozen om een specifieke groep aandeelhouders een gunst te verlenen ten koste van de Nederlandse schatkist.[iv] De vraag is wat het kabinet, en de Nederlandse economie, ervoor terug zal krijgen.

 

Voetnoten:

[i] Zie bijvoorbeeld Ralph Miliband (1969). The State in Capitalist Society. London: Merlin Press; Thomas Ferguson (1995), Golden Rule: The Investment Theory of Party Competition and the Logic of Money-Driven Political Systems. Chicago: University of Chicago Press.

[ii] Fred Block (1977). The Ruling Class Does Not Rule: Notes on the Marxist Theory of the State. Socialist Revolution, 7 (3): 6-28, p. 15.

[iii] Zie ook Charles E. Lindblom (1982). The Market as Prison. Journal of Politics, 44 (2): 324-336; Joshua Cohen en Joel Rogers, On Democracy: Toward a Transformation of American Society. Middlesex: Penguin. Kenners zullen opmerken dat ik de term ‘structureel marxisme’ iets anders gebruik dan waar het naar verwees in het werk van onder andere Nicos Poulantzas, maar ik vind deze term alsnog nuttig om het verschil met het instrumentele perspectief duidelijk te maken.

[iv] Met het oog op de documenten van het ministerie van Financiën lijkt het mij sterk dat het kabinet nu opeens gelooft in het argument van een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Maar zelfs als dit wel zo is betekent dit dat de lobby erin is geslaagd om de partijen te overtuigen terwijl het bewijs zeer beperkt is. Dit zou ik alsnog zien als consistent met het instrumentele Marxisme.