Deze week verscheen Veelstemmig, het rapport van het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) over de Tweede Kamerverkiezingen van oktober 2025. Dit blog gaat in op één van de bevindingen. Het hele rapport is hier te vinden.
Een partij die in 2023 uit het niets op kwam opzetten (NSC) verdween in 2025 weer net zo hard. De grootste partij (D66) verdriedubbelde bijna in zetels. En sommige favorieten in de peilingen werden in de laatste meters nog ingehaald. Maar een grillige uitslag is nog geen grillige kiezer. Het NKO laat zien dat er onder de motorkap meer structuur zit in het gedrag van kiezers dan je wellicht zou denken. De kiezer is niet zozeer wispelturig als wel kieskeurig.
Bewegelijker dan (bijna) ooit…
In oktober 2025 wisselden als gezegd opnieuw veel zetels van eigenaar. NSC verdween, PVV, GL-PvdA en BBB leverden in. D66, het CDA, JA21 en FvD wonnen flink. 2025 was daarmee, op die van 2023 en 2002 na, de meest beweeglijke verkiezingsuitslag sinds 1945.

Figuur: electorale volatiliteit (aantal zetels dat van partij wisselt) sinds 1945
Wat opvalt: de vier regeringspartijen verloren samen ruim 40% van hun zetels. Een verlies van die omvang zagen we eerder alleen in 2002 (de Fortuynrevolte), 2017 (afstraffing PvdA) en 2023 (einde tijdperk-Rutte). Regeren is daarmee electoraal riskant geworden: verantwoordelijkheid nemen gaat steeds moeizamer samen met verkiezingen winnen.

Figuur: afstraffing regeringspartijen (winst of verlies in %)
Die bewegelijkheid is niet nieuw, maar lijkt structureel geworden. Nederlanders zijn niet langer trouw aan één partij, zoals in de tijd van de verzuiling, maar beoordelen het aanbod elke keer opnieuw.
…maar vaak binnen stabiele blokken
Maar kiezers bewegen niet willekeurig. Het keuzeproces eronder bestaat in grote lijnen uit twee stappen.
De eerste stap is een voorselectie. De meeste kiezers overwegen maar een handvol partijen, in 2025 gemiddeld zo’n drie (vergelijkbaar met eerdere jaren). Die voorselectie noemen politicologen de keuzeset. De partijen erin zijn doorgaans inhoudelijk verwant. Al langer zien politicologen dat veel kiezers redelijk trouw zijn aan een centrumlinks, centrumrechts of radicaal rechts blok. Ze overwegen en bewegen vooral binnen zo’n blok, niet ertussen.

Figuur: overstapbewegingen van 2023 (rijen) naar 2025 (categorieën)
Dat zien we terug in de overstapbewegingen. Van de kiezers die in 2023 centrumlinks stemden, deed 68% dat in 2025 opnieuw. Bij centrumrechts en bij radicaal rechts was dat zelfs 80%. Voor zover kiezers hun blok verlaten, gingen ze meestal naar D66. Die partij weet kiezers van zowel centrumlinks als centrumrechts te trekken (hoewel iets meer van links dan van rechts). De partij past daarmee van oudsher niet in een blok, het is een brug tussen blokken.
Heel kort door de bocht heeft Nederland zo’n drie politieke smaken (de drie blokken, met D66 ingeklemd tussen twee ervan) waar de meeste kiezers redelijk trouw aan blijven. Op dat niveau is sprake van een stabiliteit die niet zou misstaan in landen met ogenschijnlijk veel rustigere uitslagen.
De definitieve keus: doelgericht…als dat kan
Maar de keuzeset is pas stap één. Binnen die set ligt de uiteindelijke keus nog lang open: zo’n 40% van de kiezers hakte de knoop pas in de laatste dagen of op de dag zelf door (een aandeel dat al zo’n vijftien jaar stabiel is).
Bij die laatste afweging springen er (naast strategische overwegingen) drie inhoudelijke factoren uit. Allereerst ideologische nabijheid: kiezers stemmen eerder op een partij die ze ongeveer even links of rechts inschatten als zichzelf. Links en rechts worden steeds meer cultureel dan economisch ingevuld, met thema’s als asielmigratie en Europeanisering. Daarnaast telt leiderschap: een gewaardeerde lijsttrekker trekt zelden kiezers van de overkant, maar kan binnen een blok wél het verschil maken (en soms zelfs een partij in meer keuzesets laten belanden). En ten derde kunnen specifieke onderwerpen doorslaggevend zijn. Maar dat is complex. Dat kiezers een onderwerp belangrijk vinden, is niet genoeg om op die basis te kunnen stemmen. Voor stemgedrag is ook belangrijk dat er een alternatief wordt aangeboden, dat partijen van elkaar verschillen. Ook helpt het als er een ‘eigenaar’ is van dat onderwerp: Dan stemmen kiezers op de partij die ze er het sterkst mee in verband brengen. Een voorbeeld is de PVV bij immigratie, wat in 2023 bijdroeg aan diens succes toen dat thema de campagne domineerde.

Figuur: prioriteiten van kiezers (gemiddelde prioriteitsscore, bij start, midden, einde en vlak na de campagne)
De prioriteiten van kiezers waren deze campagne stabiel: wonen en zorg stonden bovenaan, net als in 2023. Maar toch hadden kiezers het moeilijk om op basis van hun prioriteiten te stemmen. Juist bij die twee belangrijkste onderwerpen konden veel kiezers geen duidelijke eigenaar aanwijzen. Bij wonen wist één op de vijf niet welke partij ze er als eerste mee associeerden, en bij zorg was het beeld vergelijkbaar. Bij andere onderwerpen, zoals de economie (VVD), onderwijs (D66) of landbouw (BBB) lukt dat kiezers veel beter. Daarmee is het voor kiezers lastig te zijn geweest om zich duidelijk uit te spreken over hun voornaamste prioriteiten. Partijen kunnen dat faciliteren door juist op die onderwerpen heldere alternatieven aan te bieden, of door zich op te werpen als ‘de woonpartij’ of ‘de zorgpartij’.
Kortom
Is de Nederlandse kiezer wispelturig? Bewegelijk, dat zeker. Maar die beweging is niet willekeurig.
De Nederlandse politiek is al een tijd uitzonderlijke bewegelijk. Kiezers zijn redelijk trouw aan een blok, maar al lang niet meer aan een partij. Ze maken hun keus laat, maar vaak wel met een doel voor ogen. Voor politici, die iets met die uitslagen moeten, is die bewegelijkheid zacht gezegd een uitdaging. Maar die bewegelijkheid zit in de uitslag, niet per se in het hoofd van de kiezer. Die daarmee dus niet wispelturig, maar wel kieskeurig.
