
Peilingen zijn nuttige instrumenten voor kiezers, politici, en media. Ze kunnen wezenlijke effecten hebben. Kiezers gebruiken peilingen als informatiebron, bijvoorbeeld om strategisch te stemmen. Politici gebruiken peilingen om de effectiviteit van hun tactieken op de korte termijn in te schatten. Journalisten gebruiken peilingen om de publieke opinie in te zien, en de relevantie van partijen vast te stellen.
De effecten van peilingen lopen vooral via de wijze waarop media er – juist én onjuist – over rapporteren. Dat legt een verantwoordelijkheid bij diezelfde media. Helaas wordt die verantwoordelijkheid niet door iedereen en niet op elk moment even serieus opgevat. De duiding van peilingen schiet helaas te vaak tekort. Tot mijn verbazing zien we in de eerste weken van de verkiezingscampagne – net als in de vorige – weer genoeg voorbeelden waarin peilingen misbruikt worden door interviewers, duiders, en journalisten aan de talkshowtafel, in de podcasts, en in de krant.
Daarom hierbij een aantal vuistregels om vooral hen en hun redacties te helpen. In de hoop dat goede voorbeelden navolging vinden. En in de hoop dat de duiders, redacties, en het bredere publiek elkaar aanspreken op die vuistregels.
1. Peilingen zijn in hun kern imperfect, en dat is prima
Peilingen draaien op steekproeven: ze willen op basis van een paar duizend mensen uitspraken doen over de gehele bevolking. Dat is heel lastig. Het vergt een goede steekproef, een juiste correctie wanneer de steekproef (onvermijdelijk) afwijkt van die bevolking. De steekproef zal altijd afwijken van de bevolking. Deels in de vorm van ruis (in de ene steekproef scoort partij A iets hoger dan de andere), deels in de vorm van systematische afwijkingen.
Zelfs als die problemen worden opgelost, zijn zetelpeilingen imperfect. Zetelpeilingen stellen immers de vraag op welke partij mensen zouden stemmen als er verkiezingen zouden zijn. Maar er zijn geen verkiezingen.
Om deze redenen en meer moeten we peilingen met een flinke korrel zout nemen. Ze zijn goed in het meten van grote trends en grote verschillen, niet in het meten van kleine trends en kleine verschillen.
2. Eén peiling is geen peiling
In de journalistiek geldt de regel dat een stuk moet bestaan uit meerdere bronnen. Dat geldt zeker ook voor peilingen. Het is in het wezen van alle peilingen dat ze van elkaar zullen afwijken, niet alleen in niveau maar ook in de trends, zelfs als de publieke opinie niet veranderd is. Dat zit in de ruis. Net als bij andere journalistieke stukken geldt daarom: dubbelchecken. Een instrument dat daarbij probeert te helpen is de Peilingwijzer, dat informatie van meerdere peilingen combineert, rekening houdend met tijd, onzekerheden, en huiseffecten.
Probleem is dat journalisten een grotere prikkel hebben om dit principe los te laten, wanneer een peiler plots een verandering laat zien of wanneer kleine verschillen politiek heel belangrijk lijken. In campagnetijd dus. Maar juist dan is zorgvuldigheid en een extra bron nodig.
Wat hiermee samenhangt: trek geen trendlijn tussen de eerdere peiling van peiler A op dag 1, en de latere peiling van peiler B op dag 3. Peilers hebben allemaal hun vertekeningen. De een kan een partij op 35 zetels peilen, de ander op 25. Verschillen bij kleinere partijen zijn nog waarschijnlijker. Je kan verschillende peilingen dus niet zomaar vergelijken.
3. Stop kleine verschillen groot te maken
Peilingen zijn goed voor grote trends en verschillen, maar inherent niet goed in staat om kleine verschillen of veranderingen te meten. Ook als partij A in de peilingen 1 of 2 zetels hoger staat dan partij B, is het goed mogelijk dat dat in de hele bevolking niet het geval is of zelfs omgekeerd. Kleine verschillen en kleine veranderingen zijn zelfs in perfect opgezette peilingen niet te onderscheiden van ruis. En de peilingen zijn niet perfect.
Toch weerhoudt dat duiders en journalisten niet altijd om kleine verschillen of kleine veranderingen op te blazen tot iets relevants. Zeker niet als die kleine verschillen bijdragen aan een smeuïge kop, vraag, of redenatie. Media lijken zich bewuster van dit probleem. Maar toch gaat het steeds weer fout. In koppen, in analyses, in interviews bij talkshows. Zelfs als opiniepeilers aangeven dat er in hun peiling geen significant verschil is tussen – bijvoorbeeld – CDA en GL-PvdA in 2025, of tussen PVV en VVD enkele dagen voor de verkiezingen van 2023, schuiven verschillende talkshowhosts en redacteuren die essentiële kwalificatie al te gemakkelijk opzij. Soms met enige schroom (‘je mag het eigenlijk niet zeggen van de dames en heren statistici, maar….’), maar vaak genoeg ook zonder.
Punt blijft: als je nieuws niet hard kan maken, moet je dat ook niet voorschotelen aan je publiek. Dat geldt óók voor peilingen. Duiders die dat toch doen, liegen niet alleen hun publiek voor met non-nieuws, ze beïnvloeden daarmee bovendien de campagne. Kiezers reageren immers op dat nieuws. Een self fulfilling prophecy ligt op de loer.
4. Wees je bewust hoe je peilingen gebruikt
Succes in de peilingen stimuleert niet alleen kiezers, maar beïnvloedt ook journalisten. De teneur van interviews en artikelen kan veranderen op basis van het vermeende succes in de peilingen. Op zichzelf is dat prima, maar redacties moeten zich daarbij goed bewust zijn van de beperkingen aan zetelpeilingen. Wie politicus A introduceert op basis van succes in de peilingen, en de politicus vraagt ‘waar dit eindigt’, geeft die politicus de wind in de zeilen. Wie politicus B vraagt waarom diens partij zo achterblijft, voert al bij voorbaat een exitgesprek. En opnieuw geldt: dat beïnvloedt kiezers. Dat is gek: een positieve teneur bij partijen die groot worden, en een negatieve bij partijen die het slecht doen. Voor een waakhond van de democratie zou je in elk geval het eerste niet verwachten.
Een heel opmerkelijk interview was enkele dagen voor de verkiezingen van 2010 met Job Cohen (toen lijsttrekker PvdA) bij talkshow De Wereld Draait Door. Cohen werd door de mangel gehaald omdat zijn partij zo ver achterbleef bij de VVD in de peilingen. Pas op verkiezingsdag bleek dat de partijen in een nek-aan-nek race waren verzeild. Peilingen zijn niet goed in kleine verschillen. Maar dat weerhoudt de duiding niet.
5. Wees consequent in je ijkpunt
De interpretatie van peilingen draait vooral om vermeende veranderingen. Wie groeit er, wie krimpt er. Op basis van dezelfde peiling kan een duider vaak een verhaal vertellen van succes (groei ten opzichte van moment A) of van falen (groei ten opzichte van moment B). Wees principieel en kies de relevante ijkpunten van tevoren. Wie er niet om geeft hier consequent in te zijn, maakt de inhoudelijke analyse al snel ondergeschikt aan het verhaal. Met hetzelfde gemak kies je immers een ijkpunt dat wél een significant verschil oplevert.
Ook hierbij geldt: de effecten op kiezers loopt via de selectieve duiding en niet via de droge cijfers, zoals ik in een eerder experiment met Loes Aaldering en Armen Hakhverdian al heb aangetoond.
Een specifiek risico is de doodsspiraal. NSC doet het evident slecht ten opzichte van de verkiezingsuitslag van 2023. Wie uitsluitend vasthoudt aan dat ijkpunt, kan dit verhaal al twee jaar lang vertellen. Een eerdere daling van 1 naar 0 zetels was niet significant, maar kon wel breed uitgemeten worden met verwijzing naar dat eerdere ijkpunt.
Wat hiermee samenhangt: Pas op voor een echoput. Peilers zullen in de laatste weken frequent peilen. Het risico is dat ze daardoor dagenlang het nieuws kunnen beheersen, ook wanneer ze in feite alle dezelfde onderliggende trend (over goeddeels dezelfde periode) meten. Als peiler A op zondag verschijnt, peiler B op maandag, en peiler C op woensdag, en ze allemaal rapporteren over de stand van zaken in het afgelopen weekend, levert dat drie keer nieuws op. Als redacties en duiders daar niet scherp op zijn, zullen ze – op basis van 1 nieuwsfeit – de ene partij drie keer een duwtje in de rug geven en de ander drie keer niet. Daarom: check het ijkpunt, en gebruik altijd meerdere bronnen.
6. Peilingen zijn niet bijster goede voorspellingen van de verkiezingsuitslag
Peilingen zijn geen voorspellers, maar gebrekkige indicaties van de publieke opinie. Gebruik die peilingen daarom ook niet als voorspellingen, maar hoogstens als een indicatie van de publieke opinie. Het blijkt evenwel verleidelijk om peilingen te gebruiken als quasi-voorspellingen. Dat komt ook door de vorm waarin we zetelpeilingen gieten. Ze suggereren dat we al 150 zetels kunnen vullen, hoewel in de publieke opinie weken voor de verkiezingen meer dan de helft van de kiezers hun stem nog niet definitief bepaald heeft.
7. Rapporteer de mensen die twijfelen, het helemaal niet weten, of thuisblijven
Als duiders écht geïnteresseerd zijn in peilingen als metingen van de publieke opinie, kijken ze veel minder naar de dagkoersen van 150 hypothetische Kamerzetels. Dan besteden ze veel meer aandacht aan de opinievorming. Rapporteer voortaan de belangrijkere informatie over het aandeel kiezers dat simpelweg nog *niet* weet op wie te stemmen, of dat vermoed thuis te blijven. Wie écht de publieke opinie wil beschrijven, kan daar niet omheen. Ook relevant is de vraag welke partijen met elkaar strijden om dezelfde groep kiezers.
8. Stop met de horserace
Het is verleidelijk, maar schenk niet overmatig aandacht aan de vraag welke partij de grootste gaat worden, zeker niet met de suggestie dat die zal gaan regeren of de premier zal leveren. Dat is immers geen vanzelfsprekendheid. Fundamenteler nog: we stemmen op 29 oktober voor de samenstelling van de Tweede Kamer, niet voor de samenstelling van de regering. Zo is ons systeem nu eenmaal ingericht.
Dat de grootste niet vanzelfsprekend regeert of de premier levert, hebben de PvdA en de PVV al ervaren. Tot november 2023 kwam die suggestie evenwel vaak terug in de media, en werd die vraag met een blik op de peilingen veelvuldig gesteld. Het creëert een onjuist beeld van onze evenredige, parlementaire democratie. Teleurstelling en verontwaardiging zitten dan ingebakken in onjuiste duiding. Elke meerderheid is even democratisch.
9. Minder luie journalistiek
Peilingen zijn geen vervanging voor inhoudelijke vragen. Peilingen bevragen de inhoudelijke kaders niet, maar tonen louter steun voor partijen gegeven die kaders. De PVV was in november 2023 succesvol omdat migratie het dominante thema was gemaakt. In het voorjaar van 2023 was de BBB succesvol omdat stikstof het dominante thema was.
Die thema’s worden uiteindelijk bepaald in een wisselwerking tussen kiezers, media en vooral politieke partijen. Wie het uitnodigingsbeleid voor interviews en debatten, of de toon van de duiding en analyse, laat afhangen van succes in de peilingen, bevestigt daarmee de dominante kaders.
Zodoende is interviewen op basis van succes in peilingen al snel een luie vorm van journalistiek.
10. Blijf weg van peilingen over fictieve kandidaten
De laatste jaren hebben peilingen over fictieve kandidaten een vlucht genomen. Of het nu gaat om een fictieve fusiepartij, een fictieve nieuwe partij, of een fictieve overstap van politicus A naar partij B: als de partij (nog) niet bestaat of de kandidaat nog niet heeft deelgenomen, kunnen kiezers al hun hoop op die partij plaatsen. Er is immers geen program, geen leider, geen gedrag. Peilingen met fictieve partijen zeggen veel minder dan de aandacht die ze krijgen aan de talkshowtafel of in de pers. En dat blijft niet zonder gevolgen.
Enerzijds kunnen die ficties partijen of kandidaten helpen. De fusie tussen GroenLinks en PvdA werd in 2020 met leuzen als ‘gamechanger’ en ’grijp de macht’ gesteund door een peiling volgens welke een dergelijke fusie wel 40 zetels zou kunnen halen. De toen nog niet bestaande partij van Pieter Omtzigt zou volgens soortgelijke peilingen in juli 2023 wel 46 zetels halen. De overstap van Ingrid Coenradie naar JA21 werd – al weken voordat deze officieel werd – door duiders in podcasts geïntroduceerd als een aankomende gamechanger (daar is het woord weer), de politica zelf als een stemmentrekker (hoewel ze aan de Kamerverkiezingen niet had deelgenomen).
Anderzijds kunnen diezelfde ficties onrealistische verwachtingen creëren waar die fusies, nieuwe partijen, of kandidaten in de realiteit nauwelijks aan kunnen voldoen.
Vuistregels
De omgang van duiders en journalisten met peilingen is niet vrijblijvend. Redacties hebben er baat bij om hun omgang met peilingen via een reeks vuistregels in een statuut onder te brengen. De kern is heel simpel: niet verkopen als nieuws wat je niet hard kan maken, en niet je duiding van de peiling laten afhangen van het verhaal dat je wilt vertellen.
Interviewers, duiders aan talkshowtafels, in podcasts en in columns, en natuurlijk ook journalisten doen er goed aan om die vuistregels in de oren te knopen. Laten we elkaar hierop aanspreken.
