
De rol van internationale organisaties in internationale samenwerking is zwaar gepolitiseerd geraakt. Dit is geen nieuw fenomeen,[1] maar de opkomst van nationalistisch rechtspopulisme in het Westen bracht dit proces in een stroomversnelling. De EU kreeg Brexit, Viktor Orbán en Geert Wilders te verduren. President Trump ging vele internationale organisaties met botte bijl te lijf, met name in zijn tweede termijn. De VS stortten de Verenigde Naties (VN) in een financiële crisis, verlieten (o.a.) de Wereldgezondheidsorganisatie, VN Mensenrechtenraad en UNESCO, en legden sancties op aan het Internationaal Strafhof in Den Haag.
Elders op het politieke spectrum lijkt de steun voor internationale organisaties juist te groeien. In het verkiezingsprogramma van het GroenLinks-PvdA van oud-Eurocommissaris Frans Timmermans staat versterking van de EU en VN centraal. President Macron (Frankrijk) verdedigde de VN onlangs vurig op de Algemene Vergadering in New York, terwijl oud-ECB-president Mario Draghi aanstuurt op vergaande Europeanisering om de Europese economie te redden. Zittend president Maia Sandu won de verkiezingen in Moldavië met een expliciete pro-EU-agenda. Wat deze politici gemeen hebben? Ze worden regelmatig als technocraten afgeschilderd.[2] De autonomie, politieke neutraliteit en expertise-gedrevenheid van internationale organisaties maken ze tot “technocratische utopieën”.
Deze tweedeling–populisten ondermijnen en technocraten verdedigen internationale organisaties–klinkt intuïtief aannemelijk. Maar houdt hij stand wanneer we verder kijken dan de meest spraakmakende voorbeelden? Deze vraag onderzochten we recentelijk in twee empirische onderzoeken.
Regeringsleiders: Strategische overwegingen doorslaggevend
Ons eerste onderzoek richtte zich op politieke leiders. Daar onderzochten we hoe zij zich verhielden ten opzichte van de Wereldhandelsorganisatie en het Internationaal Atoomagentschap (hier open access beschikbaar).
Voor dat onderzoek ontwikkelden we een nieuwe dataset op basis van wereldwijde mediaberichtgeving, waarmee wij in beeld brachten hoe staatshoofden en regeringsleiders zich gedurende 2019-2020 dagelijks gedroegen ten opzichte van deze organisaties. We codeerden dat handelen in twee categorieën: legitimering (bv. complimenteren of steun uitbreiden)en delegitimering (bv. bekritiseren of steun intrekken). Daarnaast berekenden we voor alle regeringsactoren een populisme- en technocratie-score.
Uit onze resultaten bleek dat de tweedeling op dagelijkse basis niet opgaat. Zo haalde Trump in onze data regelmatig hard uit naar de Wereldhandelsorganisatie, onder andere omdat deze volgens hem China bevoordeelde. Tegelijkertijd liet onze data zien dat hij overwegend positief was over het Internationaal Atoomagentschap, omdat hij in dat agentschap een stok zag om Iran mee te slaan. Daarnaast zagen we technocratische regeringen ook kritiek uiten: zo noemde Macron de NAVO in 2019 nog ‘hersendood’ en herhaalden verschillende EU-leiders Trumps kritiek op de Wereldhandelsorganisatie. Statistische analyse toonde aan dat dit (gebrek aan) patroon standhield in onze gehele dataset: we vonden geen duidelijk bewijs voor een populistische neiging tot delegitimering, en ook geen bewijs voor een technocratische neiging tot legitimering. Strategische, land-specifieke belangen leken de doorslag te geven: regeringsleiders bleken regelmatig bereid om van een ideologische lijn af te wijken wanneer dat andere strategische doelen, waaronder politieke overleving, bevorderde.
Burgers: Meer ideologisch, maar complexe afhankelijkheden
In het tweede onderzoek richtten wij ons op Europese burgers (hier open access beschikbaar). Recente onderzoeken hebben aangetoond dat naast populistische ook technocratische attitudes (opvattingen) wijdverspreid zijn onder Europeanen. Kijken populistische burgers negatiever tegen internationale organisaties aan, en technocratische burgers positiever? Om die vraag te beantwoorden hielden wij een enquête onder 1000 Europeanen in vijf landen (waaronder Nederland) om hen te bevragen naar hun vertrouwen in de EU, de NAVO, de Wereldhandelsorganisatie en het Internationaal Atoomagentschap. Ook hier wijzen de resultaten op meer complexiteit dan een simpele tweedeling zou suggereren.
Op sommige aspecten werd een positief verband tussen technocratische attitudes en vertrouwen in internationale organisaties zichtbaar. Zo hadden burgers die meer waarde hechten aan expertise in politieke besluitvorming (expertise) significant meer vertrouwen in alle organisaties. Burgers die van mening zijn dat elites beter in staat zijn om te regeren dan gewone burgers (elitarisme) hadden ook significant meer vertrouwen in onze organisaties, op de NAVO na. Maar burgers die van mening zijn dat politiek meer probleem dan oplossing vormt (antipolitiek) hadden significant minder vertrouwen in de EU. Ook populistische attitudes leiden niet tot significant minder, maar in eerste instantie tot meer vertrouwen in een deel van onze organisaties.
Veranderende communicatie
Interactie-effecten boden meer duidelijkheid. De verbanden tussen de subdimensies van technocratische attitudes (expertise, elitarisme en antipolitiek) en vertrouwen en tussen populistische attitudes en vertrouwen bleken af te hangen van of onze respondenten ervaring hadden met populistische regeringen. Was dit wel zo, dan keken populistische burgers positiever naar internationale organisaties[3] en verzwakte onder andere het positieve verband voor expertise en vertrouwen. [4] Op basis van eerder onderzoek lijkt dit samen te hangen met de veranderende communicatie van populisten richting burgers wanneer zij gaan regeren: het enkel afschilderen van internationale organisaties als corrupte en elitaire ‘vijanden’ van het volk werkt minder goed als je ook zelf aan tafel zit en een belang hebt bij het lidmaatschap van de organisatie.
Daarnaast rekken populisten de betekenis van het begrip ‘expert’ op naar mensen uit het bedrijfsleven of ‘ervaringsdeskundigen’. Ook zagen we verschillen tussen linkse en rechtse respondenten: bij linkse respondenten was de relatie expertise-vertrouwen het sterkst, terwijl populisme bij rechtse respondenten, waar steun voor militarisme groter is, het vertrouwen in de veiligheidsorganisaties vergrootte.
Conclusie: zo simpel is het niet
Beide studies tonen dus aan dat het beeld dat populisten en technocraten zich op voorspelbare wijze verhouden tot internationale organisaties niet (volledig) klopt. Wat burgers betreft zijn hier flink wat kanttekeningen bij te plaatsen. Onder regeringsleiders vinden we zelfs geen sluitend bewijs voor een dergelijke tweedeling wanneer we ook minder zichtbare voorvallen meenemen.
Hoe moeten we dan Trumps recente tirade tegen de VN beoordelen, waarin hij klaagde dat de roltrappen en teleprompters niet werkten en de organisatie verder ook niets waard is? Absoluut als populistische aanval op een cruciale internationale organisatie. Maar tegelijkertijd maakt hij de Wereldbank wel tot onderdeel van zijn (door Palestijnen zwaar bekritiseerde) vredesplan voor Gaza. Zo simpel is het dus niet.
Foto: “President Donald J. Trump at the United Nations General Assembly” by Trump White House Archived, Public Domain Mark
[1] Zie bijvoorbeeld de massale protesten tegen het Verdrag van Amsterdam (Europese Unie) in 1997 en tegen de Wereldhandelsorganisatie in 1999.
[2] Zie hier, hier, hier en hier.
[3] Verband alleen robuust voor de Wereldhandelsorganisatie.
[4] Verband alleen robuust voor het Internationaal Atoomagentschap.
