Deze week stapte Daan de Neef uit de Kamer. Hij kon zich niet vinden in de lijn van de VVD op het gebied van vluchtelingen en asielzoekers. Het opvallende is dat De Neef nooit afwijkende heeft gestemd van de VVD-fractie. Dat komt überhaupt weinig voor, maar je zou verwachten dat iemand eerst afwijkend stemt, voordat die uit de fractie stapt.

Ik heb sinds 1998 152 stemmingen gevonden waarin een individueel kamerlid anders stemde dan de rest van diens fractie. Waarom doen Kamerleden dat?

Het Kamerlid en diens geweten

In het klassieke beeld van de afwijkende stem staat een Kamerlid tussen diens eigen geweten en de lijn van de partij. Ondanks druk van de partij om mee te stemmen met de partijlijn (dat is immers goed voor de sterkte van het merk waar het Kamerlid op gekozen wordt), gaat het Kamerlid toch voor het eigen geweten. In haar proefschrift neemt Cynthia van Vonno dit klassieke perspectief onder de loep. Ze schetst in vier stappen waarom Kamerleden zo vaak met hun fractie meestemmen:

  1. Kamerleden zijn het vaak eens met de lijn van hun fractie. Kamerleden kiezen zelf voor een partij waar ze het mee eens zijn en bovendien is er een selectiecommissie die kijkt of Kamerleden de partijlijn wel delen.
  2. Op onderwerpen waar ze zelf geen woordvoerder zijn, nemen Kamerleden vaak de lijn van de woordvoerder of de partijleiding over. Ze hebben geen sterke mening over onderwerpen waar ze geen woordvoerder op zijn en vertrouwen op hun collega’s.
  3. Als ze het oneens zijn met de fractielijn kunnen ze meestemmen met de fractie uit loyaliteit. Ze zijn een trouw partijlid en bij die rol past het om soms je eigen mening op zij te schuiven.
  4. Pas als allerlaatst zijn dwangmiddelen nodig: de dreiging dat je woordvoerderschappen verliest, niet op nieuw gekandideerd zal worden, of uit de fractie gezet wordt.

Dat is de theorie, maar passen afwijkende stemmingen in dit beeld?

Wetten, Moties en Amendementen

Van de 152 stemmingen waarbij afwijkend gestemd werd, betreffen er 26 wetgeving. Er waren in totaal 2564 stemmingen over wetgeving. In één op de honderd wetgevende stemmingen werd er afwijkend gestemd. Het aandeel afwijkende stemmen ligt hoger voor wetgeving dan voor moties en amendementen, waar dit in beide gevallen op 0,3% ligt. Dit verschil is logisch: een wet is immers een veel belangwekkendere uitspraak dan een motie. Hierbij moet ik wel de opmerking maken dat ik tussen 1998 en 2022 data over wetgevende stemmingen heb, maar dat ik slechts tussen 1998 en 2017 data over moties en amendementen heb.[1]

Figuur 1: Percentage afwijkende stemmingen over wetsvoorstellen, moties en amendementen

Tussen moraal en bestuur

Waar werd er dan afwijkend over gestemd? De vier grootste thema’s zijn: Bestuur (28 stemmingen, 18%), Immigratie & Integratie (28 stemmingen, 18%), Justitie (26 stemmingen, 17%) en Zorg (20 stemmingen, 13%). Zorg en Justitie zijn logische thema’s. Hier zitten veel van de medisch-ethische thema’s (abortus, euthanasie, orgaandonatie) waar fracties afspreken dat Kamerleden hun geweten kunnen volgen. Recent nog stemde de PVV verdeeld over het afschaffen van de verplichte bedenktijd bij abortus. Onder justitie vallen stemmingen over het openstellen van het huwelijk voor mensen van gelijk geslacht, waarbij homoseksuele CDA’ers, Joop Wijn en Gerda Verburg enerzijds en de conservatieve PvdA’er Thanasis Apostolou anderzijds meerdere keren van hun fractie afweken.

Figuur 2: Afwijkende stemmingen over per thema

Immigratie & integratie en Bestuur worden niet per sé als morele thema’s gezien, alhoewel bij migratie we soms wel de klassieke gewetensbezwaarde afwijking zien. Eén derde van de stemmingen over Migratie & Integratie zijn leden van de onderzoekscommissie-Blok die de stand van integratie in Nederland onderzocht en achter de conclusies van hun commissie blijven staan (“de integratie is grotendeels geslaagd”); tegen hun fractie in. Dit gold ook voor een aantal justitiestemmingen waar het de conclusies van de IRT-enquête betrof. Veel stemmingen op het gebied van bestuur betreffen wijzigingen van het reglement van orde, waarbij Kamervoorzitter Weisglas van de VVD-fractie afweek.

Wie wijkt er af?

Kampioen afwijkend stemmen is Kamervoorzitter Weisglas (17 keer), João Varela die in de onderzoekscommissie-Blok zat, volgt hem (12 keer) en daarna Stef Blok zelf (8 keer). In totaal zijn 52 van de 276 afwijkende stemmen (19%) terug te brengen op een conflict tussen de fractielijn en de lijn die iemand uit een bepaalde functie volgt. Dat zijn dus commissieleden die stemmen over de conclusies van een commissie of een Kamervoorzitter die stemt over het reglement van orde. Dat is dus geen conflict tussen iemands geweten en loyaliteit aan de fractielijn. Het is een conflict tussen twee rollen, namelijk de rol van fractielid en de rol als Kamervoorzitter of commissielid. Er speelt hier een dubbele loyaliteit.

Figuur 3: Kamerleden die meer dan drie keer zijn afgeweken van hun fractie

In totaal zijn er 137 Kamerleden die afwijkend gestemd hebben. Er zijn tussen 1998 en nu zo’n 822 Kamerleden geweest. Eén op de zes Kamerleden heeft dus wel eens afwijkend gestemd. Is een afwijkende stem een opmaat naar een groter conflict? Er zijn tussen 1998 en nu 32 Kamerleden uit hun fractie gestapt. Zes van hen (Eerdmans, Kortenoeven, Monasch, Nawijn, Öztürk en Van As) hadden daarvoor afwijkend van de fractie gestemd waar ze uitgesplitst zijn.[2] Het aandeel afwijkend stemmers ligt dus vrijwel gelijk bij alle Kamerleden als onder de splitsers.

Er zijn prominente splitsers als Wilders en Omtzigt die nooit tegen de fractielijn gestemd hebben. Er zijn ook mensen die ondanks afwijkende stemmen fractieleider zijn geworden zoals Halsema, Dittrich, Samsom en Rouvoet. Het is dus niet zo dat afwijkend stemmen, conflict en sancties per sé samenhangen.

Fracties

Bij welke fracties kunnen Kamerleden vaker afwijkend stemmen? En in welke fracties is de eenheid in stemgedrag groter?

Om een beeld te hebben bij welke partijen vaker afwijkend stemmen vaker voorkomt, moeten we natuurlijk rekening houden met de relatieve grootte van partijen. Ik bereken daarom het naar-dagen-gewogen-gemiddelde van het aantal zetels van een partij tussen 1998 en nu. Bij de PvdA wordt 81 keer van de fractielijn afgeweken, maar die partij heeft dan ook gemiddeld zo’n 31 zetels in deze periode. Dat betekent dat een gemiddeld Kamerlid 2,6 keer van de fractielijn afwijkt in 24 jaar. Bij D66 is 2,4 keer. Bij de VVD 2,0 keer en bij de PVV 1,8 keer. De fractie met de minste eenheid is de LPF. Zij zijn goed voor 54 afwijkende stemmingen in de vier jaar dat ze in de Kamer zaten. Zij scoren dus extreem hoog op deze maat. De LPF zonder duidelijke leider was een fractie zonder duidelijke politieke lijn, onderlinge loyaliteit of opgelegde discipline.

Figuur 4: Totaal aantal afwijkingen per fractie gedeeld door het tijd-gewogen aantal zetels per fractie

Conjunctuur

Ten slotte kunnen we kijken naar de conjunctuur van het afwijkend stemmen. Omdat we alleen data hebben over moties en amendementen tot 2017 stopt de figuur daar. Er zijn daarna nog een drietal wetsvoorstellen geweest waarbij er afwijkend werd gestemd. We zien hier dat het aantal stemmingen met afwijkende stemmen hoger was in de periode voor 2006 dan daarna. Het is van ongeveer een procent van de stemmingen naar 0,1 procent van de stemmingen gevallen. De verklaring hiervoor ligt in de LPF in de periode 2002-2006. In de periode 1998-2002 is veel medisch-ethische en moreel-gevoelige wetgeving gepasseerd.

Figuur 5: Aandeel stemmingen waarbij is afgeweken 1998-2017

Conclusie

We kunnen uit deze korte verkenning drie conclusies trekken over afwijkend stemmen. Ten eerste gaat het niet altijd over conflicten tussen het geweten en de fractielijn. Een deel van de conflicten gaat over dubbele loyaliteiten, naar de fractie en naar de Kamer of een Kamercommissie. Het model van Van Vonno betreft dus slechts een deel van de stemmingen: loyaliteit speelt een rol in haar model, maar Kamerleden zijn in haar model slechts deel van een fractie en niet van een commissie of de Kamer als geheel.

Ten tweede is er niet per sé een relatie tussen conflicten, sancties en afwijkend stemmen. Van Vonno benadrukt ook dat sancties slechts een secundaire rol spelen bij het bereiken van fractie-eenheid. We zien hier dat splitsers niet vaker afwijkend gestemd hebben dan andere Kamerleden. Vaak is er juist ruimte voor gewetensbezwaarden of voor de dubbele loyaliteiten.

Ten derde is afwijkend stemmen in de afgelopen kwart eeuw wel echt minder gebruikelijk geworden. Tussen 1998 en 2017 is het met 90% afgenomen. Eenheid in stemming is van 99% eenheid naar 99.9% gegaan.

[1] Voor de dataverzameling maak ik gebruik van de Dutch Parliamentary Votes Database. Tot 2017 zijn stemmingen daarvoor uit de Handelingen gehaald. Na 2017 is gebruik gemaakt van de api. De api is in mijn inschatting niet betrouwbaar genoeg: sommige afwijkende stemmingen missen of de verkeerde personen worden aangemerkt als afwijkende stemmers. Voor stemmingen over wetgeving kijk ik naar de website van de Eerste Kamer. Deze data gebruik ik voor de hele periode (1998-2022).

[2] Eén had afwijkend gestemd in een eerdere fractie: Hans Smolders die uit de FVD gestapt is en ooit afwijkend had gestemd als LPF Kamerlid.