Een van mijn favoriete podcasts, De Stemming met Vullings en Van Weezel, kwam afgelopen week met een opmerkelijk nieuwtje. Joost Vullings hoorde dat de nee-stem in het referendum over de Wiv in politiek Den Haag slecht is gevallen. De nee-stem zou een extra argument zijn om het referendum af te schaffen. De vrees is dat nee-stemmers gemotiveerder zijn om te gaan stemmen, waardoor er geen eerlijke afweging van argumenten komt maar referenda nauwelijks te winnen zijn voor het kabinet.

Nu moet je de kwaliteit van democratische instrumenten sowieso niet beoordelen op de uitkomst ervan maar op het proces. Maar dat het referendum vooral een speeltje is voor nee-stemmers, klopt niet.

De angst in politiek Den Haag

Uit de podcast van 29 maart komt de volgende dialoog over de nee-stem op 21 maart:

Vullings: “Den Haag trekt een andere conclusie. Die zeggen: Wat je toch vaak ziet bij referenda is dat de mensen die tegen zijn, die zijn gewoon gemotiveerder om naar de stembus te gaan.”

Van Weezel: “Ja, maar dat was nu natuurlijk niet zo, want je ging gewoon naar de gemeenteraadsverkiezingen en dan kreeg je een formuliertje en dat vulde je dan ook in.”

Vullings: “Ja, maar zij wijzen op het noorden van het land. Alle gemeenten in het noorden waren tegen en dat komt omdat daar doorgaans geen gemeenteraadsverkiezingen waren. Die hebben herindelingsverkiezingen gehad afgelopen november. En dat herindelingsproces gaat maar voort, dus er zijn ook weer verkiezingen aanstaande november. Dus de meeste gemeenten in het noorden deden niet mee. Dus die mensen moesten echt alleen maar opkomen voor het referendum.”

Van Weezel: “Die hebben nee gestemd.”

Vullings: “Ja, het noorden heeft massaal tegengestemd.”

Van Weezel: “Die zijn tegen de overheid. Die wantrouwen de overheid. Die denken de NAM deugt niet, dus de AIVD en de MIVD ook niet.”

Vullings: “Maar goed, de tegenstanders van het referendum zien natuurlijk daarin het bewijs dat zo’n referendum gewoon heel lastig te winnen is voor het kabinet, omdat de tegenstanders gemotiveerder zijn. Dat is eigenlijk wel duidelijk.”

Onzinnige logica

Het bewijs dat het referendum vooral nee-stemmers naar de stembus trekt, wordt door de Haagse contacten dus onderbouwd door de overweldigend roodgekleurde kaartjes die laten zien dat in Groningen en Friesland veelal tegen is gestemd. Die bewijsvoering is uiteraard flinterdun. Immers, een deel van de gemeenten in Groningen en Friesland mocht wél de nieuwe gemeenteraad kiezen. Als je al op zulke kaartjes af wil gaan, moet je dus niet hele provincies vergelijken met de rest, maar een specifiekere vergelijking maken tussen gemeenten die zo veel mogelijk op elkaar lijken. En dat kan. Er zijn door het hele land naburige gemeenten, waarvan door herindelingen de één wel en de ander geen gemeenteraadsverkiezingen had op 21 maart. Een goed wetenschappelijk onderzoek zou eerst toetsen hoe overeenkomstig deze gemeenten zijn om zo een ‘most similar cases’ vergelijking te kunnen trekken. Dat zal ik hier niet doen.

In het onderstaande overzichtje heb ik drie willekeurige regio’s met elkaar vergeleken: Friesland ten noord-oosten van Leeuwarden, Oost-Groningen, en de regio ten oosten en zuidoosten van Dordrecht. In elk van die regio’s zijn er gemeenten met en zonder gemeenteraadsverkiezingen. Wat valt dan op aan de uitslag?

 

Regio 1

Wel verkiezingen                                  Geen verkiezingen

Tytsjeksteradiel: 48 (5)                        Ferweradiel: 54 (1)
Dantumadiel: 49 (4)                            Dongeradiel: 54 (1)
Achtkarspelen: 49 (4)                          Kollumerland & Nieuw Kruisland: 57 (1)
Grootegast: 56 (1)

Regio 2

Wel verkiezingen                                  Geen verkiezingen

Oldambt: 57 (4)                                     Westerwolde: 58 (1)
Veendam: 56 (4)                                   Midden Groningen: 61 (1)
Pekela: 60 (3)
Stadskanaal: 51 (5)

Regio 3

Wel verkiezingen                                  Geen verkiezingen

Hardinxveld-Giessendam: 39 (4)       Giessenlande: 42 (1)
Drimmelen: 42 (4)                                Molenwaard: 39 (1)
Werkendam: 47 (1)

In elk van deze gebieden zien we dat de verschillen tussen ja- en nee-stemmers zeer klein zijn. In Friesland zit er zo’n zes procentpunten verschil in de ja-stem, in Oost-Groningen en de Betuwe is dat verschil aanzienlijk kleiner. Bovendien wordt het nog vertekend door het aanzienlijk grotere aandeel blanco stemmen in de gemeenten met gemeenteraadsverkiezingen (4 procent) vergeleken met die zonder (1 procent). We kunnen dus gerust nog anderhalf procentpunt van het verschil in nee-stemmen afhalen.

Als er dus al een verschil is tussen de soorten gemeenten, is dat verschil heel klein; aanzienlijk kleiner dan de Noord-Nederlandse nee-stem suggereert.

Waarom de kaartjes niet zo veel zeggen

Maar is dit bewijs dat nee-stemmers gemotiveerder zijn om te gaan stemmen? Nee, natuurlijk niet. Immers, het enige wat we weten dat er zonder gemeenteraadsverkiezingen relatief iets meer nee-stemmen worden uitgebracht. Maar er is een alternatieve verklaring die even zinnig klinkt: Wellicht komen op gemeenteraadsverkiezingen vaker burgers af die toevallig ook voor de Wiv zijn. Dat zou eenzelfde vertekening creëren, maar niet omdat nee-stemmers gemotiveerder zijn. Dat bij gemeenteraadsverkiezingen relatief veel oude, gezagsgetrouwe, CDA-stemmende kiezers afkomen, biedt in zekere zin steun voor deze interpretatie.

Kortom, conclusies trekken op basis van groepsgemiddelden (in dit geval: plaatjes over gemeenten) creëert al snel een ecologische fout. Wie uitspraken wil doen over kiezers, zal zich moeten baseren op gegevens over kiezers.

Drie mogelijkheden

Er zijn drie theorieën die we kunnen bekijken. De eerste is de hierboven genoemde: Tegenstanders zouden gemotiveerder zijn om naar de stembus te gaan. De tweede luidt: Door strategische overwegingen rond de opkomstdrempel hebben ja-stemmers een belangrijke prikkel om niet naar de stembus te gaan. En de derde stelt: De nee-stem wordt vooral gemotiveerd door een afkeer van de regering.

Het is nog te vroeg om deze verklaringen te toetsen voor het Wiv-referendum, omdat de gegevens van de Stichting Kiezersonderzoek Nederland nog niet binnen zijn. Maar de drie verklaringen zijn al wel bekeken voor het Oekraïne-referendum uit 2016, in het rapport dat daarover verscheen.

De zwijgende meerderheid was geen voorstander

Henk van der Kolk heeft gekeken naar de opkomst-geneigdheid van voor- en tegenstanders van het Associatieverdrag. Zijn conclusies gaan radicaal in tegen de Haagse wandelgangen. Tegenstanders kwamen in 2016 juist minder vaak naar de stembus. Van der Kolk stelt daarom:

Als veel meer mensen zouden hebben gestemd zou waarschijnlijk nog steeds een meerderheid het verdrag hebben afgewezen. Het idee dat vooral felle tegenstanders de uitslag hebben bepaald en dat de zwijgende meerderheid eigenlijk voor het verdrag was, klopt dus niet.

De opkomstprikkel demotiveert voorstanders

Onder de streep hadden voorstanders in 2016 een grotere kans te gaan stemmen dan tegenstanders. Dat betekent niet dat zij geen hindernis hebben ervaren. Door de opkomstdrempel moeten voorstanders namelijk een strategische afweging maken of zij zouden gaan stemmen (en zo de opkomstdrempel zouden helpen halen) of niet. Die strategische overweging demotiveerde de voorstanders. Van der Kolk concludeert:

Als alle strategische niet-stemmers onder de voorstanders zouden hebben gestemd, zou het gat tussen voor- en tegenstanders een paar procentpunten zijn afgenomen: het percentage voorstanders zou zijn gestegen van 38 naar 43 procent. Bovendien moeten we niet vergeten dat er onder de tegenstanders ook mensen waren die niet hebben gestemd, omdat ze vooraf niet verwachtten dat de drempel gehaald zou worden en dat hun stem dus geen zin had: waarom zou je je inspannen voor een advies dat toch niet geldig zou zijn? Dit percentage is vergelijkbaar met het aantal mensen dat zegt om strategische redenen niet te hebben gestemd. De rol van strategisch stemmen op de uitslag is dus waarschijnlijk kleiner geweest dan sommige mensen dachten.

Zonder die opkomstdrempel zou de kans voor voorstanders om te gaan stemmen wellicht nog iets groter zijn geweest dan die van tegenstanders.

Een proteststem?

Was de stem dan misschien een proteststem tegen de regering? Opnieuw is het bewijs niet heel sterk. Joost van Spanje heeft een tweetal lezenswaardige blogs geschreven waarin hij een groot deel van de nationale en internationale literatuur bespreekt. We kunnen ons daarnaast opnieuw wenden tot het Nationaal Referendum Onderzoek.

Uitgesplitst naar vertrouwen in de Nederlandse regering en het Nederlandse parlement, zien we daarin dat de opkomst vooral hoog was onder kiezers met een zeer laag en kiezers met een hoog vertrouwen in regering en parlement. Maar omdat maar heel weinig kiezers een zeer laag of hoog vertrouwen hebben, is het totale effect heel klein.

Kortom

Samenvattend: Is het referendum vooral een speeltje voor nee-stemmers? Daar lijkt het in Nederland niet op. De uitslagen in Groningen en Friesland bieden geen overtuigend bewijs. En de ervaringen uit 2016 suggereren het tegendeel. De vrees uit de Haagse wandelgangen hoeft hiermee niet per se de prullenbak in – nader onderzoek naar het referendum uit 2018 volgt nog – maar de bewijslast ligt toch vooral bij de sceptici.