
Dit stuk is gebaseerd op een kennisnotitie van het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) over de Tweede Kamerverkiezingen van 2025.
Hoe kwamen kiezers bij de Tweede Kamerverkiezingen van 29 oktober 2025 tot hun stem, en wat zegt dat over de Nederlandse democratie? Voor het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) werden tussen september en december 2025 meer dan 6.000 Nederlanders ondervraagd. Op basis van deze data geven we hier een eerste analyse van hoe kiezers de campagne ervoeren, hoe zij tot hun stem kwamen en hoe vertrouwen en wantrouwen zich rond deze verkiezingen ontwikkelden. Begin juni verschijnt het volledige onderzoeksrapport.
De aanloop
Context: ontevredenheid over kabinet-Schoof
In juni 2025 viel het kabinet-Schoof, minder dan een jaar na haar aantreden. De campagne vond plaats in een context van grote ontevredenheid over dit kabinet. Slechts 3% van de kiezers was in de aanloop naar de verkiezingen (zeer) tevreden met het regeringsbeleid. Zelfs in 2023 (toen ook een historisch dieptepunt in tevredenheid werd gemeten) lag dit cijfer nog substantieel hoger (11%).
Een meerderheid van de kiezers vond het dan ook (enigszins) goed dat het kabinet-Schoof is gevallen (52%). Een kleine minderheid gaf aan dit jammer te vinden (25%).[1] Van de kiezers die een reden konden noemden voor de kabinetsval, vond ruim 33% dit geen goede reden om het kabinet te laten vallen. Ongeveer de helft vond dit wel een goede reden. De PVV en Geert Wilders werden door de meerderheid van de kiezers (mede-) verantwoordelijk gehouden voor de val van het kabinet-Schoof (60%). Uitzondering hierop vormen kiezers die in 2023 op de PVV of Forum voor Democratie stemden. Zij legden de schuld van de kabinetsval voornamelijk (mede) bij NSC (respectievelijk 48% en 49%).
Campagne niet zo intensief gevolgd
Het overgrote deel van de Nederlanders geeft aan de campagne te hebben gevolgd. Ongeveer 1 op de 3 deed dit (zeer) intensief, ongeveer de helft van alle kiezers deed dit ‘niet zo intensief’, en ongeveer 15% van de kiezers volgde de campagne helemaal niet. Deze cijfers zijn vergelijkbaar met 2023.

Figuur 1: “hoe intensief heeft u de campagne gevolgd?”
Kiezers volgden de campagne het vaakst via de televisie, en dan met name via de publieke omroep. 70% deed dit minstens één dag per week. Meer dan een kwart van de kiezers deed dit zelfs 6 à 7 dagen per week. Een kleiner deel van de kiezers volgde de campagne via de krant (57%), maar ook hiervoor geldt dat een kwart van de kiezers dit 6 à 7 dagen per week deed.
Daarmee werd de campagne vaker gevolgd op de publieke omroep en via de krant dan via andere kanalen, zoals commerciële omroepen, radio, of online nieuwssites. Sociale media werden door 40% van de kiezers gebruikt om nieuws te volgen over partijen of kandidaten. Slechts een klein deel van de kiezers (15%) deed dit (bijna) elke dag. Kiezers onder de 34 jaar maakten meer gebruik van sociale media: 63% van hen maakte hier gebruik van om kandidaten en partijen te volgen en 1 op de 5 deed dit (bijna) elke dag.
Los van het specifieke medium geeft in totaal ruim twee derde van de kiezers aan dat ze minimaal één televisiedebat helemaal hebben gezien (26%) of fragmenten van de debatten hebben gezien (41%).
Een aanzienlijk deel van de kiezers vond de toon van politici in de campagne van 2025 onbeleefd (28%). Dat is een duidelijke stijging ten opzichte van 2023 (toen 15%). Ook het aandeel kiezers dat de toon ruzieachtig vond (41%) ligt hoger dan in 2023 (toen 30%).
Veel beweging tijdens de campagne
De nieuwe opzet van het NKO biedt inzicht in hoe stemintenties van kiezers veranderden tijdens de campagne. In september werd een deel van de respondenten al gevraagd op welke partij ze op dat moment zouden stemmen. In de eerste nameting in november werd aan dezelfde respondenten gevraagd op welke partij zij hebben gestemd. Op basis van het verloop van de peilingen en de uiteindelijke verkiezingsuitslag weten we welke partijen tijdens de campagne zijn gegroeid. Met deze dynamische NKO data krijgen we een beeld waar de groei van die partijen vandaan is gekomen. Dit biedt de mogelijkheid om motivaties onder de ‘overstappers’ in kaart te brengen. De figuur geeft voor de zeven grootste partijen in de verkiezingsuitslag een beschrijving van op welke partij hun uiteindelijke kiezers eerder overwogen te stemmen.

Figuur 2: kiezersbewegingen tussen begin campagne en verkiezingsdag (grootste partijen)
Noot: de verdeling naar stemkeuze op de verkiezingsdag is voor deze panelanalyse niet volledig gelijk aan de verkiezingsuitslag
Zo is te zien dat het grootste deel van de groei van D66 (de partij die sterk steeg in de peilingen) kwam van kiezers die in september nog ‘zweefden’. Daarnaast trok D66 in vergelijkbare mate kiezers vanuit centrumrechts (voornamelijk kiezers die in september nog van plan waren om op CDA te stemmen) en centrumlinks (van GL-PvdA). Ook de VVD, die veel kiezers won in het laatste deel van de campagne, haalde veel groei door het binden van zwevende kiezers. Daarnaast trok de VVD voornamelijk nog kiezers vanaf radicaal rechts (PVV en JA21) en in mindere mate van het CDA. Het aandeel dat het CDA ten opzichte van september ‘verloor’ aan met name VVD en D66 werd deels gecompenseerd doordat een substantieel deel van de in september nog zwevende kiezers uiteindelijk op het CDA stemden. De dynamische opzet van het NKO maakt het mogelijk deze campagne-effecten beter te bestuderen.
Dat veel kiezers nog konden wisselen komt omdat veel kiezers structureel pas laat beslissen. Ongeveer 4 op de 10 kiezers gaf aan pas in de laatste dagen voor de verkiezingen definitief te hebben besloten op welke partij ze stemden. (Dit niveau is vergelijkbaar met eerdere verkiezingen sinds circa 2006.) Wel zijn voor de meeste kiezers de contouren van de partijkeus al beperkt, en overwegen ze slechts een klein aantal op elkaar lijkende partijen (zie ook de keuzesets verder in deze notitie).
Centrale thema’s: maar deels gezamenlijke prioriteiten
Waar gingen de verkiezingen over? Sommige thema’s werden door alle Nederlanders belangrijk gevonden, ongeacht hun politieke voorkeur. Dit geldt vooral voor de thema’s wonen en zorg. Meer dan 8 op de 10 kiezers noemde deze thema’s als onderwerpen waar een volgende regering hoge voorrang aan moet verlenen. Ook in 2023 werd wonen door veel kiezers genoemd als belangrijk thema. Andere belangrijke thema’s waren veiligheid en onderwijs (genoemd door iets minder dan 8 op de 10 kiezers).

Figuur 3: belangrijkste prioriteiten voor volgende regering
Op andere thema’s loopt het belang dat er aan wordt gehecht sterk uiteen, vooral tussen linkse en rechtse kiezers. Immigratie werd door 6 op de 10 kiezers aangeduid als thema met hoge prioriteit, maar dat aandeel lag ook deze keer veel hoger onder kiezers van vooral PVV of JA21 (9 op de 10) en veel lager onder kiezers van GL-PvdA, DENK of PvdD (minder dan 3 op de 10). Het tegenovergestelde zien we bij klimaat, waar kiezers van PVV, FvD, BBB en SGP geen voorrang aan willen geven (minder dan 2 op de 10) en kiezers van GL-PvdA, PvdD en Volt juist wel (9 op de 10). Bij het thema defensie zien we een andere scheidslijn. Terwijl in totaal bijna 6 op de 10 kiezers aangaven dat de volgende regering hier prioriteit aan moet verlenen, valt dit hoger uit voor VVD-, CDA-, SGP-, 50Plus-, en Volt-kiezers (minimaal 7 op de 10) en veel lager uit voor kiezers van SP, PvdD en FvD (2-3 op de 10).

Figuur 4: belangrijkste prioriteiten voor volgende regering: hoe vaak genoemd per kiezersgroep
Dit laat zien dat kiezers niet alleen verschillen in hun standpunten over onderwerpen, maar deels ook in de vraag welke onderwerpen prioriteit verdienen. Tegelijkertijd bestaan er wel degelijk gedeelde prioriteiten: het brede belang dat wordt gehecht aan wonen en zorg lijkt niet af te nemen.
Het stemproces
Opkomst en betrouwbaarheid: vertrouwen in stemproces blijft hoog
De opkomst van 78,3% is vergelijkbaar met die van de twee voorgaande Tweede Kamerverkiezingen. Hierbij moet worden aangetekend dat er grote lokale verschillen bestaan in opkomst. Zo noteerde Rotterdam met 63,3%, net als in 2023, de laagste opkomst van Nederland (bijna één procentpunt lager dan in 2023). In het Rotterdamse stadsdeel Charlois bleef voor het eerst zelfs de meerderheid van de stemgerechtigden bij een Tweede Kamerverkiezing thuis (48%, twee procentpunt lager dan in 2023).
Toch kan de opkomst, landelijk gezien, consistent hoog worden genoemd. Een van de redenen hiervoor is dat Nederlanders vertrouwen hebben in het verloop van de verkiezingen. Ongeveer 7 op de 10 kiezers vindt dat de verkiezingen eerlijk zijn verlopen. 11% geeft een neutraal antwoord en 12% geeft aan het niet te weten. Slechts 8% geeft aan dat de verkiezingen oneerlijk zijn verlopen. Samengenomen is dit vergelijkbaar met 2023. Vergeleken met andere landen vinden Nederlanders in hoge mate dat verkiezingen eerlijk verlopen.
Onder de kleine groep kiezers die aangeven te vinden dat de verkiezingen niet eerlijk zijn verlopen is de grootste zorg dat partijen onjuiste of misleidende informatie hebben verspreid tijdens de campagne (3 op de 5). Ook is deze groep bezorgd dat nieuwsmedia niet eerlijk en evenwichtig hebben bericht over de verschillende politieke partijen (bijna de helft). Dit zijn overwegingen die te maken hebben met hoe de campagne door partijen en media wordt ingevuld. Het stemproces zelf wordt niet vaak als onbetrouwbaar gezien: slechts 21% van de groep die de verkiezingen oneerlijk verlopen vindt geeft aan dat het stemmen op verkiezingsdag zelf oneerlijk is verlopen, terwijl een aanzienlijk groter deel aangeeft dat dit wel eerlijk is verlopen (38%). Dit onderstreept het aanhoudend hoge vertrouwen in de stem- procedures op verkiezingsdag. Slechts 5% van alle NKO-respondenten vindt dat het stemmen op verkiezingsdag zelf niet eerlijk is verlopen.

Figuur 5: “hoe eerlijk zijn de verkiezingen verlopen?”
Ondanks de hoge ervaren betrouwbaarheid van de verkiezingen, blijven er ook in 2025 (grote) verschillen zichtbaar tussen groepen. Kiezers met op opleiding tot mbo2-niveau vinden minder vaak dat de verkiezingen (zeer) eerlijk zijn verlopen (60%) dan hbo-/wo-opgeleiden (84%). Ook onder jongeren is de ervaren eerlijkheid iets lager. De verschillen tussen kiezers met en zonder migratieachtergrond zijn minder groot.
Onder kiezers van de PVV geeft minder dan de helft (46%) aan dat zij denken dat de verkiezingen eerlijk zijn verlopen, en onder kiezers van FvD is dat slechts een derde (34%). Toch vindt ook van deze kiezers de meerderheid dat het stemmen op verkiezingsdag zelf wel eerlijk is verlopen (respectievelijk 69% en 52%). Kiezers die twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verkiezingen, twijfelen dus niet zozeer aan de stemprocedures op verkiezingsdag zelf.[2]
Eén stem, meerdere doelen
Ook al hebben kiezers maar één stem, ze kunnen daar meerdere doelen mee nastreven. In het NKO is kiezers gevraagd hoeveel belang ze hechten aan zeven mogelijke doelen. Inhoudelijke redenen worden het vaakst genoemd. Kiezers vinden het belangrijk om te beïnvloeden welk beleid de komende jaren wordt gevoerd (72%), te zorgen dat de eigen partij veel zetels krijgt (65%), en te zorgen dat er iemand in de Tweede Kamer komt door wie ze zich vertegenwoordigd voelen (63%).

Figuur 6: doelen die kiezers zeggen te hebben met het uitbrengen van hun stem
We zien dat ook meer strategische overwegingen een rol spelen. Zo speelt het mogelijk maken van een voorkeurscoalitie een rol voor de meerderheid van de kiezers (55%). Dit laatste geldt echter niet voor kiezers van alle partijen. Kiezers van kleinere partijen – met name CU, DENK, PvdD, SGP, VOLT en 50Plus – hechten hier weinig waarde aan bij het uitbrengen van hun stem. Tot slot vond ook 54% van de kiezers het belangrijk om met hun stem te voorkomen dat een andere partij de grootste wordt.
Hoewel de machtsvraag steeds nadrukkelijker op tafel ligt bij Nederlandse verkiezingen, geven relatief weinig kiezers aan met hun stem invloed te willen uitoefenen op wie er minister-president wordt. Slechts 36% van de kiezers geeft aan dit een (zeer) belangrijk doel te vinden achter het uitbrengen van de stem. Dit doel wordt iets belangrijker gevonden door kiezers van enkele grotere partijen, zoals PVV, D66 en CDA. De premiersvraag speelde bij die partijen een grotere rol in het stemhokje.
Minder dan 30% van de kiezers vindt het een (zeer) belangrijk doel om onvrede te uiten met de stem. Voor enkele kiezersgroepen ligt dit echter opvallend veel hoger: ruim 7 op de 10 PVV-kiezers vindt dit een (zeer) belangrijke doel, en dit geldt voor bijna 6 op de 10 FvD- en DENK-kiezers.
De uitslag
Volatiliteit: aanhoudend wisselvallig
Ook in 2025 wisselden weer veel zetels van eigenaar. De figuur hieronder toont de ontwikkeling in electorale volatiliteit, oftewel het aandeel Kamerzetels dat van partij wisselt van verkiezing tot verkiezing. 2023 was in dat opzichte een recordjaar. 2025 was weliswaar iets stabieler, maar na de historische verkiezingen van 2023 en 2002 nog steeds in de top-3 van meest volatiele uitslagen sinds 1945, ruim voor de eveneens dramatische verkiezingsuitslag van 2017.

Figuur 7: electorale volatiliteit sinds 1945
Iets(je) meer versplintering
Met 15 partijen bleef het aantal partijen dat zetels in de Kamer behaalde gelijk aan dat van na de verkiezingen van 2023. Dat zijn er minder dan in 2021: toen kwam 17 partijen in de Tweede Kamer. Toch zijn dit er nog steeds meer dan in elke andere periode sinds de jaren ’70.

Figuur 8: aantal partijen met minder dan 10, 5 of 1 zetel(s)
Hoewel het aantal partijen dus niet toenam, waren ze wel gemiddeld (weer) wat kleiner dan voorheen (gemiddeld 8,3 zetels in 2025 tegen 10 zetels in 2023). Toch geeft de uitslag wat betreft versplintering een gemengd beeld. Het best zichtbaar is de versplintering in de omvang van de grootste partij: met 26 zetels (18% van de stemmen) is D66 de kleinste grootste partij ooit. Dit zet verdere druk op de informele bijzondere status die een grootste partij heeft in de Nederlandse politieke traditie. Het aantal partijen met minder dan 5 zetels nam ook toe, van zeven naar negen. Daar staat tegenover dat er nu vijf in plaats van vier partijen een omvang van tenminste 10 zetels hebben.
Het belangrijkste kernmerk van de versplintering van het Nederlandse landschap is niet de aanwezigheid van (heel) kleine partijen, maar de afwezigheid van grote partijen. De drie grootste partijen hebben samen 74 zetels. Dit is minder dan in 2023 (86 zetels), en een groot contrast met de decennia voor 2012, toen de grootste drie samen vaak 100 of meer zetels haalden. Meer dan de aanwezigheid van kleine partijen bemoeilijkt de afwezigheid van grote partijen de coalitievorming.
Nederland blokkenland
Een veelgehoorde analyse van de uitkomst was dat “het midden” de grote winnaar was, en dat deze verkiezingen daarmee een groot contrast vormden met de uitslag van 2023. Dit kwam voort uit het feit dat D66 en CDA veel zetels wonnen, en de PVV juist zetels verloor. Hoewel CDA en D66 samen 44 zetels haalden (een duidelijke groei ten opzichte van de 14 zetels in 2023), moet daarbij rekening worden gehouden dat NSC in 2023 qua herkomst en zelfplaatsing van de achterban ook als middenpartij moet worden gezien. In 2023 haalden D66, CDA, en NSC samen nog 34 zetels, in 2025 44 zetels. Daarmee is de groei vooral een verschuiving binnen het politieke midden.[3]
Vanuit het perspectief van kiesgedrag (zelfplaatsingen en partijvoorkeuren) blijft het vooralsnog nuttig om een onderscheid te maken tussen een drietal blokken waar kiezers relatief trouw aan blijven: centrumlinks, centrumrechts, en radicaal rechts. Het NKO maakt het mogelijk dat in kaart te brengen door te onderzoeken welke partijen door kiezers werden overwogen. Politicologen spreken dan over de “keuzeset” van kiezers. Daarin is de driedeling zichtbaar in centrumlinks (zoals SP, PvdD, en GL-PvdA), centrumrechts (CDA, VVD) en radicaal rechts (PVV, FvD, en in enige mate BBB en JA21). De meeste kiezers overwegen meerdere partijen binnen deze blokken, en maar weinig een overstap tussen deze blokken. De omvang van deze blokken verandert veel minder dan de omvang van de partijen daarbinnen.
Niet alle partijen vallen onder deze blokken. Sommige vervullen net als bij eerdere verkiezingen een duidelijke brugfunctie. D66 doet dit van oudsher door aantrekkelijk te zijn voor kiezers van zowel centrumlinks als centrumrechts. In 2023 vervulde NSC ook een dergelijke rol. JA21 vervult in mindere mate ook een brugfunctie tussen centrumrechts en radicaal rechts, omdat het door zowel radicaal-rechtse kiezers als door centrumrechtse kiezers van de VVD wordt overwogen (en andersom: JA21-kiezers overwegen zowel centrumrechtse als radicaal-rechtse alternatieven). De drie blokken die sinds 2021 worden waargenomen zijn dus nog steeds relevant, maar de randen blijven bewegelijk.
In 2025 onderzocht het NKO voor het eerst ook hoe de keuzesets gedurende de campagne veranderden, door het toevoegen van twee korte enquêtegolven aan het begin en het einde van de campagne. Daarbij valt op dat twee partijen in de loop van de campagne door meer kiezers in de keuzeset werd opgenomen: D66 en CDA. Deze partijen boekten dus winst door hun kiezerspotentieel te vergroten. Dit is anders bij partijen als NSC en BBB, die hun sinds 2023 verloren kiezerspotentieel niet konden herstellen. Opvallend is de VVD: hoewel de VVD tijdens de campagne door een dal ging in het aantal kiezers dat zich voornam op die partij te stemmen, bleef het aantal kiezers dat de VVD opnam in de keuzeset onveranderd. Voor de VVD zat de uitdaging er dus vooral in het bestaandekiezerspotentieel waar te maken dan te vergroten.
Hoewel blokken tot een zekere continuïteit en voorspelbaarheid leiden, laat de dynamiek van de keuzesets zien dat de relatieve omvang van blokken nog enigszins kan verschuiven door de campagne.
Vertrouwen en democratie
Politiek vertrouwen: historisch laag
De verkiezingen vonden plaats in een context van weinig vertrouwen, niet alleen in het kabinet maar ook in de politiek als zodanig. In de maand voor de verkiezingen gaf slechts 21% van de NKO-respondenten aan “tamelijk veel” of “erg veel” vertrouwen in de Tweede Kamer te hebben. 53% had “niet zo veel” en 16% “helemaal geen” vertrouwen in de Tweede Kamer. Slechts 14% had vertrouwen in politieke partijen. Voorafgaand aan de verkiezingen van 2023 had nog 36% “tamelijk veel” of “erg veel” vertrouwen in de Tweede Kamer, en 21% in politieke partijen.
Verkiezingen leiden vaak tot een toename in het vertrouwen in de politiek, en dat was ook in 2025 het geval. In de maand na de verkiezingen gaf 32% aan dat ze vertrouwen in de Tweede Kamer hadden en 20% had vertrouwen in politieke partijen. In beide gevallen was dit een duidelijk stijging ten opzichte van de periode voor de verkiezingen. Nog een maand later was dit alweer met enkele procentpunten gedaald, maar nog steeds iets hoger dan voor de verkiezingen. Verkiezingen kunnen dus het vertrouwen herstellen, hoewel dit herstel niet hoeft aan te houden. Dat zagen we ook in 2023, toen een eerder herstel door onrust in de formatie en de regering weer snel verloren ging.
Net zo belangrijk als het niveau van vertrouwen is de mate waarin politiek wantrouwen zich concentreert onder bepaalde groepen. Immers, een democratie is kwetsbaar wanneer een deel van het electoraat zich systematisch van de politiek verwijderd voelt.
Opleidingsniveau blijft een belangrijke voorspeller van politiek vertrouwen. Terwijl onder hbo-/wo-opgeleiden (in de maand na de verkiezingen) 55% weinig of geen vertrouwen had in de Tweede Kamer, lag dit percentage onder kiezers met een opleidingsniveau tot mbo2 op 70%. Daarentegen verschilde het niveau van politiek vertrouwen minder sterk tussen ouderen en jongeren of tussen kiezers met en zonder migratieachtergrond.

Figuur 9: vertrouwen in de tweede kamer, naar kiezersgroep
Er bestaan ook grote verschillen tussen kiezersgroepen. Onder de PVV-kiezers had in de maand na de verkiezingen 26% “helemaal geen” vertrouwen in de Tweede Kamer, en nog eens 62% had “niet zo veel” vertrouwen. Helemaal geen vertrouwen kwam ook relatief vaak voor bij kiezers van FvD (32%) en DENK (42%), en juist heel weinig bij kiezers van CDA, Partij voor de Dieren, D66, GroenLinks-PvdA , VVD en Volt (allen minder dan 10%). Dit patroon was ook zichtbaar bij eerdere verkiezingen. De regeringsdeelname van een radicaal-rechtse partij (de PVV) heeft onder de streep dus niet geleid tot herstel in politiek vertrouwen onder kiezers van radicaal-rechtse partijen.
Steun voor (liberale) democratie
Nederlanders vinden de democratie de beste regeringsvorm. Ruim 3 op de 5 kiezers steunt de stelling dat democratie de beste regeringsvorm is, en 1 op de 5 geeft een neutraal antwoord. Slechts 8% vindt democratie niet de beste regeervorm. 12% van de kiezers geeft aan het niet te weten. Wel is er iets minder steun voor deze stelling onder kiezers van PVV, FvD, JA21 en BBB op rechts en onder kiezers van de SP en Partij van de Dieren op links. Onder deze kiezers vindt 5 tot 6 op de 10 kiezers dat de democratie de beste regeringsvorm is, tegenover 7 tot 8 op de 10 kiezers van overige partijen.
Slechts 6% van de Nederlanders vindt dat “de democratie zo slecht functioneert, dat deze desnoods met geweld omver geworpen mag worden”. Al is deze groep klein, deze is wel substantieel hoger onder FvD-kiezers, waarvan 23% het eens is met deze stelling.
Nederlanders zijn over het algemeen ook redelijk tevreden met hoe de democratie in de praktijk werkt. Zowel voor als na de verkiezingen gaf ruim de helft aan tamelijk of zeer tevreden te zijn. Die tevredenheid lijkt op het eerste gezicht wellicht laag, maar is in internationaal opzicht hoog. Net als bij politiek vertrouwen zien we ook hier wat minder tevredenheid onder praktisch opgeleide kiezers (40% tevreden). De tevredenheid met de democratie ligt daarentegen niet veel lager onder kiezers met een migratieachtergrond of onder jongeren of ouderen. De grootste verschillen zijn zichtbaar tussen kiezersgroepen, met weinig tevredenheid onder kiezers van de PVV (26%), DENK (30%) en vooral van FvD (10%). Deze groepen blijven systematisch ontevreden met de democratie en de politiek.
Hoewel een grote groep Nederlanders dus het principe van de democratie steunt, betekent dat niet altijd een voorkeur voor een liberale democratie, waarin het meerderheidsprincipe een tegenwicht vindt in de rechten van minderheden en scheiding van machten. Zo vindt 29% van de respondenten dat een demonstratie mag worden verboden als slogans “beledigend” zijn. 18% is het eens met de stelling “als de regering en Tweede Kamer iets willen, dan mogen rechters dat niet tegenhouden”.

Figuur 10: standpunten over democratie
De afgelopen regeringsperiode werd gekenmerkt door terugkerende discussies over de rol van de rechter, en het valt dan ook op dat de steun voor deze stelling over de rechterlijke macht relatief hoog is onder kiezers van de toenmalige regeringspartijen PVV, VVD en BBB (31-35% eens). Dit laat zien dat tegenmachten vaak instrumenteel wordt gewaardeerd. Overigens is de steun voor deze stelling ook relatief hoog onder enkele andere kiezersgroepen. Kiezers van FvD (36%), JA21 (41%), SGP (33%) en 50PLUS (31%) zijn het ook relatief vaak eens met de stelling dat de rechter geen meerderheden mag blokkeren. Democratische normen zijn moeilijk te meten, en dergelijke stellingen kunnen altijd verschillend worden geïnterpreteerd. Toch sluiten deze cijfers wel aan bij recente studies die laten zien dat het democratiebegrip voor veel burgers zich beperkt tot het meerderheidsprincipe, niet tot de noodzaak van tegenmachten.
Tot slot
De verkiezingen van 2025 onderstrepen een spanning die in eerdere NKO-analyses al zichtbaar werd. Enerzijds laten deze verkiezingen zien dat het Nederlandse verkiezingsproces robuust is. De opkomst is stabiel, het vertrouwen in de eerlijkheid van de verkiezingen is hoog, en zelfs onder groepen met diep wantrouwen in de politiek bestaat brede steun voor de stemprocedures op verkiezingsdag. In dat opzicht vervullen verkiezingen nog altijd een legitimerende functie.
Aan de andere kant maakt het NKO duidelijk dat verkiezingen (nog steeds) niet lijken te fungeren als een structurele oplossing voor politieke onvrede. Het vertrouwen in politieke instituties en partijen bereikte voorafgaand aan de verkiezingen een historisch dieptepunt, herstelde enigszins na de stembusgang, maar bleef ongelijk verdeeld. Met name onder kiezers van radicaal-rechtse partijen is sprake van hardnekkig wantrouwen dat niet afnam door regeringsdeelname van een verwante partij. Maar het wantrouwen is ondertussen zichtbaar over de hele breedte van de samenleving.
Ook wat betreft de uitslag laat 2025 continuïteit zien onder ogenschijnlijk grote veranderingen. De uitslag was opnieuw volatiel en het partijstelsel blijft sterk gefragmenteerd, maar deze dynamiek speelt zich grotendeels af binnen herkenbare blokken. De relatieve omvang van deze blokken verandert slechts geleidelijk, terwijl partijen binnen blokken sterk in omvang kunnen wisselen. Dit wijst op kiesgedrag waarin kiezers zich thuis voelen in een blok, maar niet loyaal zijn aan een partij. Daarmee ontstaat steeds meer ruimte voor strategische overwegingen, hoewel het Nederlandse systeem de kiezer maar weinig invloed geeft op de machtsvorming.
De aanhoudende fragmentatie en volatiliteit zijn ondertussen een structureel kenmerk van de Nederlandse democratie. Op dat vlak staat Nederland niet alleen maar is het eerder een voorloper: ook andere landen ondergaan ‘dutchification’ van hun politieke systeem. Dit maakt coalitievorming steeds uitdagender, maar niet onmogelijk. Wel is het zorgelijk dat deze situatie samengaat met laag en ongelijk verdeeld politiek vertrouwen. De centrale uitdaging voor de komende jaren is dan ook niet primair het functioneren van de democratie en het verkiezingsproces. De onvrede zit in het functioneren van de politiek en het doorvoeren van effectief beleid om langlopende problemen te adresseren, en loopt langs partijpolitieke lijnen. De Nederlandse politiek vraagt een vorm die het vertrouwen weet te herstellen.
Begin juni verschijnt het volledige onderzoeksrapport, met daarin uitgebreidere analyses van onder meer kiezersbewegingen, het stemproces, de ideologie en sociale achtergrond van kiezers, mediagebruik, wantrouwen, democratie en polarisatie.
[1] De overige kiezers gaven een neutraal antwoord (14%) of gaven aan het niet te weten (8%)
[2] Als we naar specifieke stemmethoden kijken, dan zien we dat driekwart van de kiezers het stemmen met potlood en papier een betrouwbare methode vindt. Minder dan 6% vindt deze stemmethode onbetrouwbaar. Het vertrouwen in stemmen per volmacht ligt een stuk lager (44%), zeker onder FVD-kiezers (24%).
[3] Daarnaast is het “midden” ook geen vanzelfsprekende categorie vanuit het oogpunt van kiesgedrag. D66-kiezers zijn gemiddeld progressiever dan CDA-kiezers, en ook overwogen D66-kiezers vaker linkse partijen en CDA-kiezers vaker rechtse partijen. Wel opvallend is dat het aantal kiezers dat zowel D66 als CDA overwoog hoger ligt dan vroeger.
Bron foto: Sebastiaan ter Brug, https://www.flickr.com/photos/ter-burg/32618941904
