• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de eerste sidebar
StukRoodVlees

Politicologie en actualiteit

  • OVER SRV
  • AUTEURS
  • CATEGORIEËN
  • ARCHIEF
  • CONTACT

Waarom identificeren kiezers zich als ‘links’ of ‘rechts’?

door Armen Hakhverdian, Wouter Schakel 15/09/2025

Dit is een bewerkte versie van ons hoofdstuk in het rapport ‘Van Onderstroom naar Doorbraak: Onvrede en Migratie‘ van het Nationaal Kiezersonderzoek.

De termen ‘links’ en ‘rechts’ zijn niet weg te denken uit het hedendaagse politieke debat. De politiek kent talloze beleidsterreinen met een veelvoud aan diagnoses en mogelijke oplossingen, maar het reduceren van die complexiteit tot een simpele links-rechtstegenstelling maakt de politiek toegankelijk en dat is uiteindelijk gunstig om burgers betrokken te houden bij de politiek. De politicoloog Jean Laponce noemde niet voor niets ooit links-rechts een ‘politiek Esperanto’, een universele taal om te communiceren over politiek.[1] Links-rechts vormt dus een zogenaamde heuristiek, een mentale snelkoppeling om snel en efficiënt te kunnen oordelen en handelen in een gecompliceerde politieke werkelijkheid.

In de politicologie is het al lange tijd gangbaar om politieke competitie te beschrijven in meerdere dimensies, waarbij minstens een economische en culturele dimensie van elkaar worden onderscheiden. De economische dimensie omvat over het algemeen onderwerpen als herverdeling, belastingen en sociale uitgaven, terwijl de culturele dimensie eerder gaat over immigratie en autoriteit. Over de concrete terminologie bestaat de nodige discussie, maar actoren kunnen dus links of rechts zijn in economische zin, maar progressief of conservatief in culturele zin. Deze belangrijke nuance gaat verloren, wanneer alles wordt platgedrukt tot een eendimensionale algemene links-rechtstegenstelling.

En toch gebeurt dat laatste maar al te vaak. Partijen, kiezers, journalisten en ook politicologen maken gretig gebruik van deze terminologie om zichzelf en anderen te classificeren als links, rechts, midden, al dan niet met voorvoegsels als centrum-, radicaal-, extreem-, enz. Er wordt gesproken over ‘linkse’ of ‘rechtse’ samenwerking. Soms ontstaat discussie of een partij als de PVV links of rechts is omdat de partij op bepaalde sociaaleconomische terreinen wat linkser zou zijn. Ook bij nieuwe partijen als BBB en NSC is het niet altijd duidelijk welk ideologisch etiket zij verdienen. Maar uiteindelijk gebruiken velen, soms tegen beter weten in, algemene links-rechtstegenstellingen om de politiek te beschrijven.

Hier onderzoeken wij wat de termen ‘links’ en ‘rechts’ tegenwoordig nog betekenen. Vormen zij een handige snelkoppeling om politieke complexiteit terug te brengen tot een eenduidige links-rechtsclassificatie óf zorgt dit alleen maar voor meer ruis op de lijn. We  beperken ons hier tot de links-rechtsidentificatie van burgers. Op basis waarvan identificeren burgers zich als links of rechts? Kunnen we identificatie als links of rechts voorspellen op basis van economische of culturele houdingen (of beide?). Daarnaast kijken we of verschillende opleidingsgroepen dezelfde basis hebben voor hun identificatie als links of rechts. Onze conclusie is uiteindelijk dat onder burgers de concepten ‘links’ en ‘rechts’ geen eenduidige basis hebben, laat staan een universeel gedeelde politieke taal vormen.

Politieke houdingen en links-rechts identificatie

Het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) bevat een enorme schat aan vragen over politieke standpunten, variërend van concrete beleidsvraagstukken tot meer algemene ideologische onderwerpen. Daarnaast bestaan er verschillende batterijen van vragen met andere antwoordcategorieën, zogenaamde vier-, vijf, – of zevenpuntsschalen. Voor het eerste deel van onze analyse kiezen we negen vragen uit de batterij vijfpuntsschalen waar respondenten moeten reageren op een reeks stellingen. De mogelijke antwoordcategorieën zijn: ‘helemaal mee eens’, ‘mee eens’, ‘niet mee eens’, ‘maar ook niet mee oneens’, ‘mee oneens’, ‘helemaal mee oneens’. We richten ons op de volgende stellingen:

  1. ‘De volgende regering moet vasthouden aan het doel om de stikstofuitstoot in 2030 gehalveerd te hebben‘.
  2. ‘De volgende regering moet stoppen met de subsidies voor bedrijven die gebruik maken van fossiele brandstoffen op basis van aardolie, kolen en aardgas, ook als dit leidt tot een stijging van de prijzen‘.
  3. ‘De volgende regering moet er alles aan doen om het gat in de begroting te dichten‘.
  4. ‘Het minimumloon moet verder worden verhoogd tot 16 euro per uur‘.
  5. ‘De volgende regering moet het jaarlijkse aantal immigranten dat Nederland binnen mag komen omlaag brengen‘.
  6. ‘Het zou goed zijn als voor bepaalde misdaden de doodstraf weer zou worden ingevoerd‘.
  7. ‘Mensen moeten vanaf hun 16e hun geslacht in hun paspoort kunnen wijzigen zonder verklaring van een expert‘ (zie ook Hoofdstuk 23).
  8. ‘De regering moet voor alle huurwoningen een maximale huurprijs bepalen‘.
  9. ‘Nederland moet geen wapens meer sturen naar Oekraïne‘ (zie ook Hoofdstuk 20).

Deze negen stellingen bevatten een combinatie van culturele, economische en morele onderwerpen over zowel binnen- als buitenland. Sommige onderwerpen zijn nieuw, andere onderwerpen staan al sinds jaar en dag op het netvlies van kiezers en partijen.

De vraag over links-rechts zelfidentificatie is als volgt: ‘In de politiek wordt soms gesproken over links en rechts. Wilt u aangeven in welke mate u vindt dat een politieke partij links of rechts is? En wanneer u denkt aan uw eigen politieke opvattingen, waar zou u zichzelf dan plaatsen?’. De respondenten kunnen vervolgens een cijfer kiezer tussen de nul en de tien, oftewel ‘links – 0’ en ‘rechts – 10’. De uiteinden van de schaal zijn dus duidelijk gelabeld, waarbij hogere waarden staan voor rechtsere identificatie, maar de vraag laat in het midden wat met links of rechts wordt bedoeld. Hieronder onderzoeken wij of de identificatie met links of rechts afhangt van de antwoorden die respondenten geven op daadwerkelijke politieke onderwerpen. Respondenten kunnen ook hier aangeven dat ze het antwoord op de vraag niet weten.

Verklaringen voor links-rechts identificatie

De gemiddelde links-rechtspositie in Nederland is 5,35. Dit betekent dat de gemiddelde Nederlander zich net iets rechts van het midden plaatst. Maar wat zegt dit over de inhoudelijke standpunten van het Nederlandse electoraat? Welke optelsom van standpunten ligt ten grondslag aan een dergelijke positie?

Figuur 1 toont de sterkte van de verbanden (de ‘regressiecoëfficiënt’) tussen de negen politieke standpunten en links-rechtsidentificatie. Allereerst kijken we naar de zogenaamde bivariate verbanden waarin we alleen de samenhang tussen links-rechtsidentificatie enerzijds en één van de negen houdingen anderzijds berekenen. Voorstanders van een restrictief immigratiebeleid en een soepeler stikstofbeleid zijn eerder geneigd zich te associëren met rechts. Tegenstanders van fossiele subsidies plaatsen zich eerder links, terwijl voorstanders van de doodstraf zich weer eerder identificeren als rechts. Dan zien we verder dat liberalere houdingen over rechten van transgenders samenhangen met linksere identificatie. Verhoging van het minimumloon en een vaste huurprijs hangen ook samen met linksere identificatie. Tegenstanders van wapenleveranties aan Oekraïne plaatsen zich eerder rechts dan voorstanders en tenslotte identificeren voorstanders van strengere begrotingsdiscipline zich eerder als rechts.

Figuur 1: Links-rechtsidentificatie en politieke houdingen. Noot: Staafjes geven de 95% onzekerheidsmarges weer.

Deze eerste simpele exercitie maakt al een aantal zaken duidelijk. Allereerst zien we dat de links-rechtstegenstellingen in potentie een reeks uiteenlopende onderwerpen kunnen absorberen. Ten tweede blijkt dat de sterkte van de bovengenoemde verbanden sterk uiteenloopt. Burgers grijpen niet álle actuele onderwerpen aan om zichzelf te positioneren op de links-rechtsschaal. Ten derde vormen culturele onderwerpen een sterkere basis voor links-rechtsidentificatie dan economische onderwerpen.

Deze analyse negeert het feit dat politieke standpunten vaak onderling samenhangen. Houdingen jegens migratie en stikstof hangen sterk samen: respondenten met restrictieve immigratiehoudingen neigen ook veel sterker naar een soepeler stikstofbeleid. Zo zijn er nog veel meer voorbeelden van samenhangende meningen te benoemen. Het gaat voorbij de kern van onze bijdrage om de precieze onderliggende dimensies van deze politieke houdingen bloot te leggen, maar we kunnen wel berekenen in hoeverre de gebruikte items een onafhankelijke bijdrage leveren aan links-rechts identificatie. Deze resultaten zien we bij de zogenaamde meervoudige analyses in Figuur 1, waar we niet alleen rekeningen houden met de onderlinge samenhang tussen de houdingen, maar ook corrigeren voor belangrijke achtergrondvariabelen als leeftijd, geslacht, inkomen en opleiding.

Houdingen over immigratie zijn het voornaamste anker voor links-rechts identificatie, gevolgd door houdingen over stikstof en het minimumloon. De overige houdingen spelen weliswaar een rol, maar deze is bescheiden te noemen. Hoewel migratiehoudingen dominant zijn, is het opvallend dat stikstof zo prominent in beeld is. Een aantal jaar geleden was dit een onbekend beleidsdossier waar amper politieke aandacht voor bestond, laat staan publieke aandacht. In luttele jaren zijn houdingen over stikstofbeleid even belangrijk in het bepalen van je links-rechtspositie als een klassiek herverdelingsvraagstuk als het minimumloon.

Verschillen tussen opleidingsgroepen

Een individuele links-rechtsscore is dus een optelsom van verschillende onderwerpen, die onafhankelijk van elkaar een bijdrage leveren. Dan is het alsnog de vraag of verschillende groepen in de samenleving dezelfde criteria hanteren om zichzelf te positioneren op de links-rechtsschaal. In deze bijdrage beperken we ons tot verschillen tussen opleidingsgroepen. In figuur 2 zien we de sterkte van de samenhang tussen links-rechtsidentificatie en verschillende thema’s, uitgezet naar opleiding. Onder universitair geschoolden en HBO’ers spelen migratie, stikstof, fossiele subsidies en minimumloon een vergelijkbare rol ten opzichte van elkaar in het verklaren van de links-rechtspositie. Onder meer praktisch opgeleiden is dit patroon wezenlijk anders. Daar zien we dat deze thema’s qua belang variëren waarbij met name de relatief kleine rol van economische houdingen in het oog springt. Of je jezelf als links of rechts identificeert heeft voor deze groep met name te maken met migratiehoudingen.

Figuur 2: Links-rechtsidentificatie, politieke houdingen en opleiding

In de politicologische literatuur is vaker aangetoond dat verbanden tussen concrete beleidshoudingen en links-rechts identificatie verschillen per opleidingsgroep. Vaak berust deze empirische vondst op de veronderstelling dat opleidingsgroepen verschillen in hun mate van politiek engagement, wat vervolgens leidt tot een lossere samenhang tussen politieke houdingen en links-rechts identificatie. Onder praktisch opgeleiden zou minder kennis bestaan over wat de termen ‘links’ en ‘rechts’ daadwerkelijk betekenen. Hiervoor vinden wij geen empirische ondersteuning. De patronen die wij vinden blijven overeind, zelfs nadat we corrigeren voor het politiek engagement van respondenten. Praktisch geschoolden hebben simpelweg een meer culturele invulling van ‘links’ en ‘rechts’.

Uiteindelijk betekenen onze resultaten het volgende: wanneer een gemiddelde universitair geschoolde zichzelf als links of rechts ziet, kan dat nog van alles betekenen wat betreft waar die persoon staat op de belangrijkste politieke kwesties van de dag. Wanneer een prakitsch geschoolde zichzelf als links of rechts identificeert is de kans groot dat dit een uiting van standpunten over migratie betreft. Voor deze burgers is links nóg meer een uiting van culturele identiteit dan onder de gemiddelde kiezer. De zelf toebedeelde score op de links-rechtsschaal is nadrukkelijk dus niet dezelfde optelsom van standpunten voor iedere opleidingsgroep.

Waarom is dit belangrijk? In algemene links-rechtstermen plaatsen WO’ers en HBO’ers zich veel linkser dan bijvoorbeeld MBO’ers (zie figuur 3). Het zou een misverstand zijn om hieruit te concluderen dat die eerste groepen bijvoorbeeld op economisch vlak dan ook ‘linkser’ zijn. Dat is namelijk niet het geval, integendeel zelfs. Praktisch geschoolden zijn net iets linkser op het gebied van minimumloon en de vaste huurprijs en ook op andere economische items uit het NKO zien we dit patroon terug. Maar omdat praktisch opgeleiden ‘links’ en ‘rechts’ voornamelijk cultureel invullen zullen ze minder geneigd zijn op ‘linkse’ partijen te stemmen omdat zij deze partijen vooral als cultureel links beschouwen. Op economisch vlak zullen deze partijen veel beter aansluiten bij de standpunten van praktisch opgeleiden dan andere partijen. Het punt is dus niet zozeer dat praktisch opgeleiden op linkse partijen zouden moéten stemmen, maar dat het bepalen van je stemkeuze op basis van links-rechtsdenken in plaats van op basis van concrete politieke standpunten kan leiden tot suboptimale inhoudelijke vertegenwoordiging, in dit geval op economisch terrein.

Figuur 3: Links-rechts identificatie en opleiding

Conclusie

Het reduceren van de politieke werkelijkheid tot een simpele links-rechtsdimensie kan in potentie bijdragen aan het functioneren van de vertegenwoordigende democratie. Links-rechts kan dienen een snelkoppeling in de politieke communicatie tussen partijen en kiezers. Helaas is de praktijk weerbarstiger. Door de opkomst van culturele onderwerpen als migratie is de tegenstelling tussen links en rechts al lang niet meer op basis van louter verdelingsvraagstukken. In de jaren tachtig was identificatie als links of rechts nauwelijks gebaseerd op culturele houdingen, maar dat is in de loop der tijd sterk veranderd. Een links-rechtspositie is vandaag de dag een combinatie van een groot aantal afzonderlijke politieke thema’s, die onderling lang niet altijd samenhangen. Daarnaast betekenen de termen ‘links’ en ‘rechts’ inhoudelijk iets wezenlijk anders voor verschillende groepen in de samenleving. Wij hebben dit laten zien voor opleidingsgroepen, maar iets soortgelijks speelt voor verschillende generaties. Onder jongeren is links-rechtsidentificatie sterker verankerd in houdingen over immigratie en klimaat, terwijl onder ouderen klassieke herverdelingsvraagstukken de boventoon voeren.[6]

De framing van politiek als een simpele strijd tussen links en rechts is bedoeld om duidelijkheid en eenvoud aan te brengen in een complexe politieke werkelijkheid, maar leidt uiteindelijk alleen maar tot meer verwarring. Het zou daarom beter zijn om op zijn minst de gangbare politicologische werkwijze te hanteren waarbij sowieso een onderscheid wordt gemaakt tussen een economische en culturele dimensie van politieke competitie. 


[1] Laponce, J. (1981). Left and right: The topography of political perceptions. Toronto, Canada: University of Toronto Press.

Beeld: Gemeente Den Haag

Categorie: Kiezers en publieke opinie Tags: ideologie, links-rechts, opleiding

Over de auteurs

Armen Hakhverdian
Armen Hakhverdian is universitair hoofddocent politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij doet onderzoek naar politieke vertegenwoordiging, publieke opinie en ongelijkheid. Hij schreef samen met Wouter Schakel het boek 'Nepparlement? Een pleidooi voor politiek hokjesdenken' (2017, Amsterdam University Press) over ongelijke vertegenwoordiging in Nederland.
  • Sociale media links 
Wouter Schakel
Wouter Schakel is postdoctoraal onderzoeker aan de afdeling politicologie van de Universiteit Leiden. Zijn onderzoek richt zich op politieke vertegenwoordiging en ongelijkheid. Hij schreef samen met Armen Hakhverdian het boek 'Nepparlement? Een pleidooi voor politiek hokjesdenken' (2017, Amsterdam University Press).
  • Sociale media links 

Primaire Sidebar

Volg ons

  • Facebook
  • Twitter
  • RSS Feed

Populaire berichten

De ideologie van Forum voor Democratie

De ongemakkelijke realiteit van de antivaccinatie-beweging

Wat als… Nederland het Britse kiesstelsel zou hebben?

Willekeurige berichten

Aflevering 61 – Politiek vertrouwen, met Tom van der Meer

Episode 106 – “I’m f**king furious and I don’t f**king care anymore”, with Rob Ford

Vier politieke stijlen in de Provinciale Staten

Podcast

Aflevering 138 – De verkiezingsuitslag, met Twan Huijsmans en Tom van der Meer

De Tweede Kamerverkiezingen zijn uitgelopen op een eclatante overwinning van D66 dat met maar liefst … [Lees verder...]

Aflevering 138 – Coalities, kiezers en winst en verlies, met Simon Otjes

Simon Otjes (Universiteit Leiden) schuift aan om te praten over de huidige stand van de campagne. We … [Lees verder...]

Aflevering 137 – De normalisering van extreemrechts gedachtegoed, met Léonie de Jonge

Extreemrechtse ideeën zijn de afgelopen jaren in hoog tempo genormaliseerd. Ik spreek met mijn gast … [Lees verder...]

Populisme

Jesse Frederik gaat te kort door de bocht: Waarom complexe maatschappelijke onvrede niet in één verklaring past

Vorige week verscheen op De Correspondent een stuk waarin Jesse Frederik mijn boek De Symfonie van … [Lees verder...]

Plaatjes van de electoraatjes 2025: de PVV

Op 29 oktober zijn er verkiezingen voor de Tweede Kamer. In deze serie gaan wij aan de hand van een … [Lees verder...]

Radicale onderdompeling: een theaterexperiment op Oerol

De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) signaleerde begin deze week dat … [Lees verder...]

Blogroll

  • Andrew Gelman
  • Ballots & Bullets
  • Fight Entropy
  • FiveThirtyEight
  • The Monkey Cage
  • The Upshot
  • Wonkblog
  • OVER SRV
  • AUTEURS
  • CATEGORIEËN
  • ARCHIEF
  • CONTACT

© 2026 StukRoodVlees

Copyright © 2026 · SRV Theme op Genesis Framework · WordPress · Log in