De zojuist verschenen International Civic and Citizenship Study (ICCS 2016) verzameld onder leerlingen in de tweede klas van het voortgezet onderwijs toont aan dat het treurig is gesteld met de burgerschapsvaardigheden van Nederlandse jongeren. De “PISA van de burgerlijke betrokkenheid” laat zien dat verschillende burgerschapscompetenties een stuk minder goed ontwikkeld zijn dan onder jongeren in vergelijkbare landen zoals Zweden, Noorwegen, Denemarken, Finland en België (Vlaanderen). Kennis over bijvoorbeeld politiek en de Grondwet is beperkter, vertrouwen in maatschappelijke instituties lager. Scholieren maken zich minder zorgen om klimaatverandering, zijn minder bereid om politiek actief te zijn, en steunen gelijke rechten voor etnische minderheden in mindere mate dan elders. Bovendien zijn de verschillen in burgerschap tussen leerlingen in Nederland ook groot, met name tussen leerlingen uit verschillende sociale milieus en van verschillende scholen.

Allemaal potentiële bronnen van conflict. Maar we staan erbij en kijken er naar. Dit probleem komt echter niet vanzelf goed.

Scholen doen weinig

Het onderzoek laat ook zien dat scholen weinig aandacht schenken aan burgerschapsvorming in vergelijking met andere landen, en docenten voelen zich hiertoe ook minder bekwaam. Het klasklimaat wordt als minder open voor afwijkende standpunten ervaren, en er zijn minder inspraakmogelijkheden voor leerlingen en minder burgerschapsactiviteiten op school. Maar het onderzoek laat ook zien dat dit leerlingen ook allemaal niet erg kan boeien (iets dat we overigens ook zien met betrekking tot kernvakken zoals talen en wiskunde). Terwijl we ook weten dat het met de burgerschapscompetenties beter gaat op scholen die er veel aandacht aan besteden. Moet de politiek niet meer aandacht schenken aan de sociale taak van het onderwijs?

Het komt niet vanzelf goed

Het is niet voor het eerst dat de matige burgerschapsvaardigheden van Nederlandse leerlingen naar voren komen. Ook de vorige meting, in 2009, liet geen gunstig beeld zien. Sindsdien is van meerdere kanten geconstateerd dat de resultaten beter moeten, en dat dit niet vanzelf goed komt. Ons beeld is dat scholen wel het belang zien van bevordering van burgerschapscompetenties, maar de invulling daarvan lastig vinden, en het niet altijd de aandacht geven die nodig is. Dat maakt ondersteuning van scholen belangrijk.

Wetten, wiskunde of werk?

Het Nederlandse onderwijsbeleid lijkt vooral gericht op de markt. Het stelsel moet vooral de economie goed bedienen. Dat gaat via twee belangrijke kanalen: het aanleren van algemene vaardigheden zoals wiskunde, en het versoepelen van de overgang van school naar werk via het beroepsonderwijs (naast andere manieren zoals de deelname aan het hoger onderwijs verhogen en het bevorderen van levenslang leren). En op die vlakken doet Nederland het bijzonder goed. Op de PISA-toets, die regelmatig onder 15-jarigen in meer dan 70 landen wordt verzameld, scoort Nederland heel behoorlijk (al is er een kleine neergang over de jaren). De overgang van school naar werk verloopt ook zeer voorspoedig, te zien aan een lage jeugdwerkloosheid in vergelijking met andere landen. Ook deze zaken zijn belangrijk voor de sociale cohesie. Maar waarom leiden de matige resultaten op het gebied van burgerschapscompetenties, maatschappelijke betrokkenheid en steun voor essentiële waarden tot minder politieke actie dan wanneer de PISA-resultaten weer in de krant staan?

Misschien moet een systeem kiezen voor het één of het ander? Je kunt nu eenmaal niet alles, en het is natuurlijk belangrijk om de economie goed te bedienen via het onderwijs.

Om enig zicht te werpen op de vraag of er een trade-off is tussen het bedienen van de economie en het vormen van maatschappelijk betrokken burgers, kunnen we de verschillende uitkomsten bekijken voor een aantal landen, en zien of het ene vaak ten koste gaat van het ander. We doen dat door burgerschapskennis, de wiskunde-toets van PISA 2015, en de jeugdwerkloosheid in 2016 (bron: OESO) te vergelijken (“wetten, wiskunde en werk”). Hierbij kijken we alleen naar gemiddelden per land, niet naar verschillen tussen leerlingen binnen landen. Dit doen we voor zoveel mogelijk landen die aan de ICCS 2016 hebben meegedaan (de werkloosheidscijfers zijn helaas niet beschikbaar voor alle landen).

Waar staat Nederland?

In de volgende figuur staan de drie centrale uitkomsten tegen elkaar afgezet. Figuur A toont ‘wetten versus wiskunde’. We zien gemiddeld genomen een positieve samenhang – landen die gemiddeld hoog scoren op wiskunde scoren ook hoog op burgerschapskennis. Sommige landen scoren hoog op beide, met name Denemarken en Finland. Andere landen scoren slecht op wiskunde en burgerschapskennis, met name Bulgarije, Litouwen, Malta, Kroatië en Letland. Nederland scoort echter beduidend hoger op wiskunde dan op burgerschap. Het is het enige land dat duidelijk rechtsonder in de figuur zit: bovengemiddelde wiskundeprestaties gekoppeld aan burgerschapsvaardigheden die lager zijn dan het gemiddelde over alle landen.

Figuur B toont ‘wetten versus werk’. Ook uit deze figuur blijkt dat Nederland het meest uitgesproken is in de combinatie van een goede bediening van de economie (lage jeugdwerkloosheid) en matige kennis over politiek en wetten. Bovendien zien we in Figuur C dat landen die goed op wiskunde scoren niet altijd goed scoren op banen voor jongeren; Zweden, België en Finland hebben een hogere jeugdwerkloosheid dan Nederland, terwijl van deze landen met name Finland juist bekend staat om de goede wiskundeprestaties en burgerschapscompetenties.

Dat verschil tussen aandacht voor economie en maatschappij blijkt ook in het Nederlandse onderwijs zelf. Als er al maatschappelijke zaken worden behandeld geven Nederlandse scholen veel aandacht aan de werking van de economie (64% van de scholen), maar juist erg weinig aan hoe burgerrechten in Nederland beschermd kunnen worden (34%).

Burgerschap is het ondergeschoven kindje

Nederland doet het dus op het gebied van de economie goed: zowel op wiskunde als werk doen we het uitstekend. Twee andere landen die het op beide marktgerichte uitkomsten goed doen zijn Denemarken en Estland, die het bovendien ook beter doen dan Nederland op burgerschapscompetenties.

Al met al is het dus in sommige landen mogelijk gebleken om op alle drie belangrijke terreinen de jeugd goed voor te bereiden op de samenleving. Wiskunde, wetten en werk staan elkaar niet noodzakelijk in de weg. Maar in Nederland wel: het is het enige land dat een uitermate goede score op wiskunde en werk koppelt aan een matige score op burgerschapskennis van scholieren. Opvallend genoeg tonen de resultaten aan dat de verschillen in burgerschap tussen scholen in Nederland bijzonder groot zijn, wat te maken heeft met het systeem van vroege selectie in niveaus zoals we dat in Nederland kennen op twaalfjarige leeftijd. Wellicht werkt vroege selectie goed voor de arbeidsmarkt, maar maakt het het moeilijk om burgerschapsonderwijs op een effectieve manier te geven. Uiteindelijk kan dat een bedreiging vormen voor de democratische gelijkheid onder Nederlandse jonge burgers.

De NRC gaf op 10 november in haar commentaar aan dat het nodig tijd is om burgerschapsvorming een serieuze plaats te geven in het Nederlandse onderwijs. Gezien de maatschappelijke tegenstellingen lijkt dat geen gek idee.

 

Herman van de Werfhorst, Anke Munniksma en Anne Bert Dijkstra werken bij het Amsterdam Centre for Inequality Studies (AMCIS) van de Universiteit van Amsterdam. Zij waren betrokken bij het Nederlandse deel van de International Civic and Citizenship Study van 2016, en schreven samen met Ineke van der Veen, Guuske Ledoux en Geert ten Dam het Nederlandse rapport (te vinden op www.iccs-nederland.nl). Munniksma, Anke, Dijkstra, Anne Bert, Van der Veen, Ineke, Ledoux, Guuske, Van de Werfhorst, Herman, and Ten Dam, Geert. 2017. Burgerschap in het voortgezet onderwijs. Nederland in vergelijkend perspectief. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Afbeelding: Bron